Paardenkop

Wie debat uitlokt, verwacht argumenten. Maar GeenStijl is overal.

Wat wil de pamflettist? Debat, discussie ontlokken, zoveel is wel duidelijk. Ik schreef het pamflet Hitler in de polder & Vrij van God. In het eerste deel vraag ik me af hoe het komt dat veel publicisten een nazi-vergelijking trokken en trekken in reactie op ideeën van uiteenlopende mensen als Frits Bolkestein, Paul Scheffer, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en recentelijk Geert Wilders. Misschien, opperde ik, viel een en ander te verklaren aan ons beeld van het Absolute Kwaad, geformuleerd door Hannah Arendt en Harry Mulisch naar aanleiding van het proces in Jeruzalem tegen nazi-kopstuk Adolf Eichmann dat begon in 1961. Arendt was gefrappeerd door de ‘banaliteit van het kwaad’, terwijl Mulisch waarschuwde dat wij dit Absolute Kwaad niet bij de Ander kunnen aantreffen maar juist in en bij onszelf of anders te midden van onszelf. Die waakzaamheid jegens het veronderstelde Kwaad in onszelf verhevigde in het multiculturele Nederland tot een contra-effectieve obsessie.

In het tweede deel spreek ik de hoop uit dat toekomstige generaties van moslims, indien zij dit wensen, even ontspannen van hun geloof zouden kunnen dwarrelen als ik het zelf in de jaren zeventig had beleefd. Maar een ontspannen geloofsafval voor Nederlanders met moslimachtergrond kan pas plaatsvinden nadat het onvermijdelijke ruwe reli-kritische voorwerk is verricht. Zo verging het tenslotte ook de generatie vóór de mijne. Opmerkelijk is dat dit voorwerk in relatie tot de islam verdacht wordt gemaakt door personen die zichzelf de heftige en vaak krenkende beschimpingen op het christendom permitteren die zij de beschimpers van de islam ontzeggen, op straffe van het argument: racisme, ophitserij. Een rare inconsequentie, die ik bespeurde in de schrijfsels van onder anderen Jan Blokker, Hugo Brandt Corstius, Frits Abrahams.

Dus: wat wil de pamflettist? Debat. Dat debat kwam er, gelukkig, en soms mocht ik er zelf aan deelnemen, of anders verschenen adhesiebetuigingen, soms emotioneel en juichend verwoord, of juist weerwerk, soms scherp en stevig verwoord. Mooi. Zo kon de pamflettist de tanden stukbijten op tal van tegenargumenten. Interessantste weerwerk verscheen tot nu toe in De Groene Amsterdammer, een spannend en strak essay van Dick Pels en August Hans den Boef, met wie ik het op onderdelen oneens ben, dat dan weer wel, natuurlijk.

Maar dan NRC Handelsblad. Dook er in deze krant een instemmend stuk op? Mwah. Goed: dan misschien een tegenspraak à la Pels en Den Boef in De Groene? Opnieuw: mwah. Deze krant vond dat het anders moest. Het begon al een tijdje geleden, met een ingezonden brief van Jan Blokker. Dit is zijn weerwoord: Zwagerman bekritiseert mij en mijn gebruik van het woord christenhonden omdat ik ooit zijn presentatie van Zomergasten heb afgebrand. Frits Abrahams aapte good old Blokker na en schreef: Zwagerman liegt in zijn pamflet omdat hij gefrustreerd is; hij heeft namelijk al een tijdje geen roman meer gepubliceerd.

Tegen zoveel striemende argumentatie kan ik vanzelfsprekend niet op.

En dan doemde er recent in NRC Handelsblad een Rotterdamse socioloog op die een derde inhoudelijk argument in stelling bracht. Dat ging zo: Zwagerman schreef zijn pamflet omdat hij niet alleen de oude garde van columnisten maar ook zijn ‘belangrijkste concurrent’ Bas Heijne van de troon wil stoten.

Tja.

Toegegeven, ook elders waren de inhoudelijke argumenten dodelijk. Hugo Brandt Corstius schreef in Vrij Nederland dat ik over religiekritiek onzin uitkraam omdat ik een paardenkop heb – of ben, daar wil ik afwezen.

Hoe vaak heb ik in deze krant niet gelezen dat de opkomst van GeenStijl en de bijbehorende persoonlijke verdachtmaking symptomatisch zijn voor de algehele hufterigheid in Nederland? GeenStijl is overal, weten we inmiddels. In NRC Handelsblad zeggen ze het alleen iets omfloerster.

Dan nog honderd keer liever Hugo Brandt Corstius. Die zegt gewoon dat ik ongelijk heb omdat ik een paardenkop heb – of ben, daar wil ik afwezen. Kijk, dat is tenminste eerlijk schelden. Je voelt aan alles dat de heren in NRC Handelsblad het ook zo hadden willen zeggen. Maar dát durfden ze dan weer niet. En dus werd het: Zwagerman, ga eens deaud! Maar dan op z’n NRC’s. Dat klinkt zo, uit de mond van socioloog uit Rotterdam: ‘Eigenlijk zou iemand Zwagerman eens moeten zeggen dat hij moet ophouden met schrijven over dit onderwerp.’

Ik geef ruiterlijk toe: zulke superieure polemiek als van mijn opponenten in NRC Handelsblad is te veel voor de paardenkop die ik ben – of heb, daar wil ik afwezen.