'Op dit moment zijn er tien vrouwen zwanger'

‘Ik heb wel discussies gehad met koppels die vonden dat ik bij een bepaald aantal moest stoppen. Dan vroeg ik: zou je zes dan genoeg vinden? Ja, zes zou kunnen. Dan zou ik nu moeten stoppen, zei ik dan, want jouw kind zou het zevende zijn. Nee, ze wilden dat ik stopte na dat van hen. Dat is natuurlijk een beetje hypocriet, als je zegt: je mag wel mij helpen, maar die vrouwen na mij allemaal niet meer. Als er nou een geweldig aanbod was van donoren die allemaal goed zaad en goede intenties hebben, dan zou ik meteen stoppen. Maar helaas is dat niet zo. En ik vind leven drie niet meer of minder waard dan leven dertien.

Ik ben er in 2002 mee begonnen. De wetgeving voor zaaddonoren dreigde toen te veranderen. Kinderen kregen het recht om te weten wie hun vader was. Terecht. Maar het gevolg was dat veel donoren zich terugtrokken. Die hadden geen zin in contact. Spermabanken gaven de voorkeur aan heterostellen boven lesbische stellen en alleenstaande vrouwen, waardoor die laatste twee groepen hun toevlucht moesten nemen tot internet.

Ik was toen al een tijdje bezig met de vraag of ik donor wilde worden. Ik had op dat moment zelf niet de behoefte om samen met een vrouw een kind op te voeden. Ik was druk met werk, hobby’s en vrijwilligerswerk, maar op relationeel gebied ben ik altijd heel verlegen geweest. Ik had er niet zo’n vertrouwen in dat ik de geschikte persoon zou ontmoeten.

Toen ik 29 werd, dacht ik: een vrouw zal op deze leeftijd wel gaan nadenken over kinderen. Ik vond het alleen maar rechtvaardig dat ik dat ook zou doen. Zo ontstond het idee om donor te worden. Hoe dieper ik me inlas, hoe minder tegenargumenten ik kon bedenken. Het zou voor mij een kleine inspanning zijn waarmee ik anderen heel gelukkig zou maken. Ik had geen getal in mijn hoofd als grens. Maar ik dacht: tegen de tijd dat er vier à vijf kinderen zijn, heb ik misschien al een vriendin gevonden.

Ik heb mezelf laten testen en mijn zaad bleek helemaal in orde. Achteraf hoorde ik dat maar eenderde van de mannen genoeg zaadcellen produceert om het invriezen en ontdooien te overleven, en van dat aantal produceert maar eenderde zaadcellen die daarna nog vruchtbaar zijn. Ik maakte dus deel uit van een kleine groep.

In het begin doneerde ik via klinieken. Dat is geëvolueerd naar zelfinseminatie via internetcontacten. De meeste oproepen van donors die ik las, waren van het kaliber: ‘Hallo, ik ben Hans, blond haar, blauwe ogen, en ik wil je wel helpen’. Als ik vrouw was, zou ik dat niks vinden. Ik heb toen zelf een oproep geschreven van een heel A4’tje, waarin ik uitlegde waarom ik wilde doneren en hoe mijn karakter was. Daar zijn heel veel reacties op gekomen. Het gaat mensen niet alleen om het uiterlijk, maar juist ook om de vraag: zal die donor er zijn als mijn kind later vragen heeft?

Na mail- of telefonisch contact volgde een kennismaking. Als besloten werd tot een donatie, zorgde ik dat ik standby was op het moment van de eisprong. Tot 2004 reisde ik naar de mensen toe. In drukke tijden was ik drie keer in de week op pad. ’s Avonds na het werk vertrok ik meteen met de trein uit Maastricht, ik overnachtte op de logeerkamer en ging ’s ochtends zo vroeg mogelijk weer terug. Ik kwam in de verste uithoeken. Friesland, Zeeuws-Vlaanderen, de kop van Noord-Holland. De reiskosten kreeg ik vergoed, voor de donaties zelf heb ik me nooit laten betalen.

Op een gegeven moment bleek het toch handiger als de vrouwen hier naartoe kwamen. Dan spraken we af in een hotel, maakten kennis, vertrokken naar een kamer. Op de badkamer produceerde ik een potje, zoals dat heet, gaf dat af – en dan was het afwachten. Soms was het meteen raak. Ik heb vier miskramen meegemaakt. Meestal hoor ik dat pas als het leed al geleden is. Het raakt me elke keer weer. Misschien heb ik te veel films gezien over Middeleeuwse ridders, hoor, maar vooral bij alleenstaande vrouwen vind ik het moeilijk dat ik er dan niet voor ze ben geweest.

Ik heb wel degelijk een aantal mensen afgewezen omdat ik vond dat het persoonlijk niet klikte. Mijn principes waren daarin sterker dan mijn wens tot voortplanting. Ja, wat zou ik nog te wensen hebben? Afgelopen december is mijn 48ste kind geboren, en op dit moment zijn er tien vrouwen zwanger.

De stichter van Saoedi-Arabië had zo’n 52 kinderen. Zoiets vinden mensen dan leuk, typisch voor die cultuur. Maar mij wordt voortdurend gevraagd of de kinderen er later geen probleem mee zullen hebben. Het enige vergelijkingsmateriaal dat ik heb, is positief. In een Oprah Winfrey-show uit 2003 kwam een Amerikaanse donor met 200 kinderen voor. Oprah vroeg aan een van de moeders: vinden jullie kinderen het niet moeilijk dat ze een van de 200 zijn? Nou, zei die vrouw, ik zou haast willen dat het zo was, want nadat we ons jaarlijkse treffen hebben gehad, pesten ze hun klasgenootjes ermee dat zij geen 200 broertjes en zusjes hebben. Die kinderen groeiden op met de gedachte dat ze alleen waren in dat gezin, maar dan blijken ze een ontzettend grote familie te hebben.

Geïnspireerd door die show heb ik vorig jaar zelf een treffen georganiseerd voor mijn donorkinderen en hun moeders. Het was ontzettend gezellig; adressen werden uitgewisseld, vriendschappen gesloten. Tijdens dat treffen viel het mij voor het eerst op dat een meisje een brede mond had. En toen dacht ik: waarom is dat? Omdat alle andere kinderen een dunne mond als de mijne hadden. Voor de rest is er bijna niks gemeenschappelijks. Ik heb donker haar en donkere ogen, maar zelfs bij een vrouw met donker haar en ogen, komt er wel eens een goudblond meisje met blauwe ogen uit. Bij biologie hadden ze het altijd over dominante en recessieve genen, maar dat klopt niet. Tot nu toe overheerst blauw, of groen. De meesten hebben blond haar. Maar dat kan nog veranderen, want ze zijn allemaal nog jong.

Op een gegeven moment ben ik ook aan Duitse vrouwen gaan doneren. Daar was de nood nog hoger, want wettelijk mogen Duitse klinieken alleen heterokoppels helpen. Mannen op internet waren vooral uit op geld en seks. Mijn aanbod vonden de vrouwen vaak te mooi om waar te zijn.

En zo heb ik mijn huidige vriendin ontmoet, op een forum voor wensmoeders. We spraken af voor een poging en het klikte meteen. Maar ik zag het niet als mijn rol om te zeggen: zou je meer willen? Die ‘professionele afstand’ tegenover wensmoeders heb ik altijd gehouden. Ik wil niet dat een kind op de vraag hoe hij verwekt is, te horen krijgt: tja, dat was een vent die eigenlijk alleen maar met me naar bed wilde. Maar tot dat moment had ik ook nooit voldoende interesse in die vrouwen om oprecht een relatie aan te gaan.

Ze is een heel spontaan mens, een vrouwelijke vrouw. Intelligent. Geschoold als klassiek zangeres, dat spreekt mij ook zeer aan. Rode haren, eigenlijk was dat altijd mijn hoop. Ze heeft de zelfstandigheid die ik herken van andere wensmoeders, maar op een heel lieve manier.

Nadat we vier pogingen hadden gedaan, belde ze afgelopen zomer op met de vraag: zou je meer met mij willen dan vriendschap? Het antwoord was een volmondig ja. Ik had met haar voor het eerst het idee dat ik samen kinderen zou willen opvoeden. Ze woont ver weg, tegen de grens met Zwitserland, dus we bellen vooral veel. We stemmen onze afspraken af op de biologische klok.

We zijn nu een jaar aan het proberen en we hebben twee miskramen gehad. Dat is heel erg, maar ik heb daar inmiddels wel ervaring mee en weet dat het niet het einde hoeft te zijn. Er zijn redenen waarom de natuur soms denkt: dit gaat geen succes worden. En dan houd je even pauze. Maar verder zijn we nu nog in de fase: dit gaat gewoon gebeuren.

Op den duur wil zij hier ook komen wonen. Ze heeft er geen probleem mee dat ik doneer – zo hebben we elkaar tenslotte ontmoet – maar op een gegeven moment zal ik er wel mee stoppen, denk ik. Tenzij al bestaande gezinnen graag nog een broertje of zusje van me willen.

Ik heb het al die jaren niet gemist om niemand aan mijn zijde te hebben. Maar nu ik haar ken, mis ik het wel. Mijn tactiek was altijd: bij de telefoon zitten wachten tot de ideale vrouw belt. En zo is het nog gelopen ook. Ik zou er heel gelukkig mee zijn als het zo met haar verder zou gaan. Met of zonder kinderen.’

Maartje Duin