'Mijn kunst zet het alledaagse op scherp'

Kunstenaar Jeroen Doorenweerd maakte voor de Leidense Lakenhal en dekenfabriek Scheltema werken die spelen met de aard van de waarneming.

Beeldend kunstenaar Jeroen Doorenweerd heeft in Leiden een zelfportret in drie delen gemaakt. Deel 1: de serene kunstcontemplatie. Je gaat zitten op een houten bankje in een kamertje van hout en linnen die hij heeft gebouwd in museum De Lakenhal. Je snuift de geur van verse vloerwas op, er klinkt klassieke muziek vanaf een ouderwetse draaitafel en je richt je volle aandacht op het schilderij Zeil- en roeiboten in een riviermonding van Jan van Goyen (1640). De hemel op het doek is grijs en zwaar, op de voorgrond valt er een lichtvlek op de piekerige golven. Hoe langer je kijkt, hoe meer je erop ziet.

Deel 2: ruige popmuziek. In een onaffe hal van de voormalige dekenfabriek Scheltema ga je zitten op een strandstoel, misschien neem je er een flesje bier bij, en kijk je tv’s. Op vijftien verschillende toestellen in een metalen stelling draaien concertopnames met harde muziek van bands als The Pixies, Iggy Pop en Radiohead.

Deel 3: in de belendende fabriekshal staat een constructie van vers vurenhout met twee verhoogde podia. Je kunt erop gaan zitten om te mediteren, zoals Doorenweerd zelf dagelijks doet.

„Een verkenning van alle uithoeken van mijn persoonlijkheid”, noemt Joeren Doorenweerd (Terneuzen, 1962) dit project, dat dinsdag opengaat. Dan verschijnt ook een monografie met een selectie van zijn werk van de afgelopen achttien jaar. Meestal werkt hij in de openbare ruimte, op uiteenlopende plekken als de Maasvlakte, een woonerf, een stadhuis, een gevangenis en aan de oever van de Westerschelde. Hij maakt vaak ambachtelijke constructies van hout, in de vorm van kamers of verhoogde uitkijkposten, maar gebruikt ook vaak webbeelden en geluid.

Met deze driedelige installatie staat u voor het eerst in een museum. Waarom nu?

„Ik wilde iets doen naar aanleiding van het verschijnen van het boek over mijn werk. Ik legde een open vraag neer bij directeur Edwin Jacobs van de Lakenhal en hij bood me ruimte aan voor een installatie. Uit de collectie van het museum heb ik dit doek van Van Goyen gekozen, een mooi schilderij van lucht, water en weer waar je helemaal in kunt verdwijnen. Die kamer van hout en linnen die ik in een zaal van het museum heb gebouwd, zorgt ervoor dat je je midden in een publieke ruimte als het ware kunt afzonderen met dat schilderij. In een museum trek je langs tientallen schilderijen en ziet daardoor niks meer; nu zet ik er één apart waar je ineens weer fris naar kijkt.

U bent zelf ook opgeleid als schilder.

„Inderdaad, maar daarna heb ik een jaar lang op mijn atelier zitten ploeteren. Mijn doeken werden steeds minimalistischer, totdat ik op een dood punt kwam: ik kon net zo goed niets doen als iets doen. Toen heb ik besloten dat ik naar buiten zou gaan om op locatie te werken, in een context waar ik als kunstenaar op kan reageren. Maar het verlangen naar de schilderkunst is altijd gebleven. Na jaren werken met driedimensionale objecten in de openbare ruimte heb ik hiermee opnieuw een verhouding tot de schilderkunst.”

Ook uw werken buiten zijn vaak een soort lijsten: u zet ons neer in een kamer en richt daarmee onze blik op een vaak willekeurig stuk omgeving. Dat wordt dan ineens anders, bijzonder.

„Zoals Van Goyen in 1640 naar de stormachtige riviermonding keek, zo heb ik bezoekers voor het project Shipspotting in 2006 naar de Westerschelde laten kijken. Je kon in een oude Volvo aan de oever plaatsnemen en door de voorruit naar het water en de schepen kijken terwijl je naar de marifoon luisterde. Natuurlijk zie je hetzelfde in de auto als erbuiten. Je ziet hetzelfde – maar je kijkt anders.

„Voor een manifestatie in Tilburg heb ik een oude dekenfabriek, de AaBe in Tilburg, ook tot kunstwerk gemaakt. De fabriek stond al zeven jaar leeg en was tussentijds gebruikt voor housefeesten en als hennepkwekerij. Ik heb een ruimte in de fabriek betimmerd tot een schone, rustige houten kamer waar je kon gaan zitten en door een immens gat in de muur kijken naar de grote hal erachter. Dat was de oude ververij, waar de bassins nog stonden en delen van machines, waar mos en varens tussen groeiden. Aan dat uitzicht heb ik niets veranderd, ik regisseer alleen de waarneming. Het alledaagse zet ik daarmee op scherp.”

In de AaBe-fabriek was doorlopend muziek te horen uit uw eigen verzameling: punk, klassiek, soefi, Chinese opera. In de Lakenhal klinkt ook muziek: een suppoost draait de hele tijd klassieke lp’s. Wat is de rol van het geluid?

„Muziek maakt de geest vrij. Het voegt ook een onbestemde laag toe aan de manier waarop je een uitzicht of een ruimte waarneemt. Ik vind het ook fascinerend om te merken hoe muziek je ervaring beïnvloedt. Je ervaart hetzelfde landschap of een bouwvallige industriële hal heel anders wanneer je naar Arvo Pärt luistert of naar Iggy Pop.

„Behalve muziek gebruik ik soms ook omgevingsgeluid. Voor het stadhuis in Dordrecht kreeg ik een opdracht uit de éénprocentsregeling, die verplicht 1 procent van de bouwkosten van openbare gebouwen aan kunst te besteden. Het leek me een aantrekkelijk idee om de activiteit die zich binnen afspeelt, in een stadhuis dat van alle burgers is, aan de buitenkant zichtbaar te maken. Ik heb microfoons boven de receptie gehangen en het geluid, ook het getik van dameshakjes, met groene en rode lampen op de gevel verbonden. Het geluid is een live weergave van wat er binnen gebeurt: hoe meer geluid hoe meer licht. Ook dat is een manier om een plek, in dit geval een gebouw, open te breken en de toeschouwer er anders naar te laten kijken.”

U houdt van zowel het ambachtelijke van een stevige houten constructie met alle schroeven keurig op de rij, als van computers en webcams en geluidmeters.

„Ik hou van techniek. Ik ben de zoon van een binnenvaartschipper en kom uit een technische familie. Misschien dat het werken met constructies me daarom beter ligt dan de schilderkunst. Ik was een van de eerste kunstenaars in Nederland die met een computer werkte, en ik gebruikte ook al vroeg webcams. De eerste keer was in 1999, in een project voor het douanekantoor op de Maasvlakte. Ik plaatste een camera op het dak die opnamen maakte van de Maasvlakte; anderen konden via hun computer die camera ook bedienen. Bleek de surfclub mee te kijken of er genoeg wind stond, maar ook Nederlanders in het buitenland die op die manier nog iets van thuis meekregen. Het was een wederkerig project: de computer ontving, toen nog via een permanent openstaande telefoonlijn, beelden van webcams op honderd plekken over de hele wereld, van Tokio tot Alaska. Iedere minuut was er een ander beeld te zien op schermen in de kantine van het douanekantoor en in de ruimte waar de chauffeurs op inklaring wachten. Het mooie vond ik juist dat de webcams rauwe, niet gecomponeerde, grof pixellige beelden opleverden, met een haast schilderkunstige abstractie.

En u gebruikte ook webcams om de ambtenaren van OC en W resultaat van hun werk te tonen.

„Ik heb in 2003 webcams gebruikt voor de installatie Veldwerk in de Hoftoren, het hoofdkantoor van OCW. Net als in Dordrecht wilde ik zichtbaar maken wat daar gebeurt. De ambtenaren geven geld aan kunst en cultuur, maar zien zelden waarvoor het wordt gebruikt. Dus heb ik op schermen in het grand café beelden geprojecteerd uit de dansstudio van de Fontys Dansacademie in Tilburg. De ambtenaren zien dansers in real time zweten – zo krijgen de subsidies en beleid betekenis.”

Gaat u zelf in uw eigen installatie zitten mediteren met de herrie van de punkconcerten ernaast?

„Ik denk het wel, ja. Als je mediteert probeer je de wilde aap van je rondspringende gedachten rustig en geduldig te geleiden. Vergeleken daarbij is de muziek zo wild nog niet. Ik doe aan Vipassana-meditatie. Die is erop gericht je aandacht te richten, op het trainen van je geest om zoveel mogelijk in het hier en nu aanwezig te zijn. Dat mediteren gaat over waarneming en bewustzijn, net als mijn kunstwerken. Ik geef de aanzet, met een constructie of met een beeldscherm of met geluid. Maar het is de bezoeker die met ogen en zijn gevoel het kunstwerk af maakt.”

Opening dinsdag 24 februari, 18u in Museum De Lakenhal en Scheltema, Leiden. Info www.lakenhal.nl en www.scheltemacomplex.nl. Boek NAi Uitgevers, €27,50.