Hoofdstad van de wereld

Den Haag werpt zich op als vestigingsplaats voor internationale organisaties. Maar buitenlanders die er werken, klagen veel over de stad. „De stad is te klein, saai en heeft te veel snobs.”

Bij de entree van de winkel wordt ‘haggis’, een typisch Schots gerecht van schapeningewanden met havermout en specerijen, aangeprezen. In de schappen liggen Engelse koekjes, chips, marmelades en tal van andere Britse producten. Dit filiaal van de keten Thomas Green’s is gevestigd op de Frederik Hendriklaan in het Statenkwartier, hét centrum van internationaal Den Haag. Ongeveer een op de drie bewoners is van buitenlandse afkomst. Maar niet-Westerse allochtonen wonen er nauwelijks. Het Statenkwartier met zijn herenhuizen in Art Nouveau-stijl is het domein van de ‘expats’. Dat blijkt op straat en in de winkels, waar Engels een veelgehoorde taal is. Een huis is er for rent, op het bord bij de kapper voor de deur staat dat je without appointment geknipt kunt worden en de boekhandel heeft een uitgebreid Engelstalig assortiment.

In Den Haag wonen ongeveer 35.000 expats (zie inzet). De onvrede onder hen was groot, zo bleek in 2005 uit een onderzoek van de personeelsverenigingen van een aantal internationale organisaties. Bijna tachtig procent van de buitenlandse werknemers van internationale organisaties wilde toen uit Nederland vertrekken. Het leven is er duur, het belastingsysteem ingewikkeld, de bureaucratie groot, de service gebrekkig en het gezondheidssysteem deugt niet, zo luidden de voornaamste klachten. Niet echt bevorderlijk voor Den Haag, dat zo graag de juridische hoofdstad van de wereld wil zijn.

Sindsdien wordt van alles ondernomen om het buitenlandse inwoners naar de zin te maken. In het stadhuis is er een ‘Xpat Desk’, op openbare plekken liggen stapels glossy Engels- en Franstalige informatiefolders, het ‘The Hague Hospitality Center’ organiseert voor nieuwkomers tweemaandelijks de bijeenkomst Welcome to The Hague. De wethouder van ‘citymarketing’ Frits Huffnagel (VVD) lanceerde een gastvrijheidscampagne. Ook heeft Den Haag acht ‘city consuls’ (intermediairs tussen de gemeente en de internationale gemeenschap).

TV West is onlangs, mede dankzij financiële steun van gemeente en provincie, begonnen met een wekelijks Engelstalig programma voor de internationale gemeenschap. Onder meer op aandringen van de gemeente werden in 2005 veel werknemers van intergouvernementele organisaties qua belastingen gelijkgesteld aan ambassadepersoneel. Ook zij hoefden in Nederland niet langer belasting te betalen.

Tweede VN-stad

De internationale organisaties en hun werknemers zijn van groot belang voor de stad en regio. Uit een in opdracht van de gemeente uitgevoerd onderzoek blijkt dat de internationale organisaties ruim 14.000 directe, en nog eens 14.000 indirecte banen (bijvoorbeeld in de schoonmaak, beveiliging, IT en administratie) opleveren. Dat is een stijging van ongeveer 8 procent ten opzichte van drie jaar eerder. De internationale organisaties zijn verantwoordelijk voor 6,4 procent van de werkgelegenheid in de stad Den Haag. In Noordwijk is ESTEC, het technische onderzoekscentrum van ruimtevaartorganisatie ESA, goed voor 10 procent van de lokale economie. Het totale effect van de internationale organisaties op de Nederlandse economie is bijna 2 miljard euro. Iets minder dan 1,6 miljard hiervan komt ten goede aan de Haagse regio.

Met instellingen als het Joegoslavië-tribunaal, het Internationaal Strafhof en Europol profileert Den Haag zich al jaren nadrukkelijk als internationale stad van vrede en recht. De Haagse regio telde in 2008 171 internationale organisaties, waarvan 32 intergouvernementele. Den Haag ziet zichzelf als vierde Verenigde Naties-stad van de wereld, na New York, Genève en Wenen. Maar met een beetje fantasie zou Den Haag ook als de tweede VN-stad kunnen worden beschouwd. Er is namelijk maar één hoofdorgaan van de VN buiten New York gevestigd: het Internationaal Gerechtshof in het Vredespaleis.

Begin jaren negentig haalde Den Haag na een concurrentiestrijd met Genève en Wenen de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) binnen. Dat zorgde volgens een Haagse gemeenteambtenaar voor een „renaissance in de aandacht voor internationale organisaties”. Tot die tijd werd daar nauwelijks bij stil gestaan, ondanks de lange geschiedenis van de stad op het gebied van internationale vrede. Zo werd al in 1899 op initiatief van de Russische tsaar Nicolaas II in Den Haag de eerste internationale vredesconferentie – met onder meer de oprichting van het Permanent Hof van Arbitrage – gehouden.

Wim Deetman, van 1996 tot 2008 burgemeester, wordt beschouwd als de man die Den Haag als internationale stad echt op de kaart heeft gezet. In 1998 trok Deetman, tegenwoordig lid van de Raad van State, met een delegatie naar Rome om het Internationaal Strafhof (ICC) binnen te halen. Ook de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo was mee. Het is tenslotte de rijksoverheid die beslist of een intergouvernementele organisatie zich in Nederland vestigt.

Nederland heeft als een van de weinige landen ter wereld in de grondwet staan de internationale rechtsorde te willen bevorderen. Daar horen internationale organisaties op dat terrein bij, zo is de redenering van het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ). „Het bevorderen van de internationale rechtsorde deden we al in de tijd van Hugo de Groot, en dat doen we nog steeds”, zegt Paul Wilke, hoofd van de ‘Taskforce Internationaal Strafhof’ bij BZ.

De aanwezigheid van internationale organisaties geeft aanzien en vergroot het gewicht van Nederland in het diplomatieke verkeer. „Ministers komen in het buitenland anders binnen dan als we die instellingen niet hadden gehad. Je krijgt een gezicht”, zegt Wim Deetman. De huidige burgemeester van Den Haag, Jozias van Aartsen, merkte het in de praktijk in zijn periode als minister van BZ (van 1998 tot 2002): naar Nederland wordt geluisterd.

Frans Nelissen, directeur van het in Den Haag gevestigde TMC Asser Instituut, zegt: „Op het gebied van internationaal recht is Den Haag the place to be. Er is geen buitenlander wie je dat moet uitleggen.” Nelissen vertelt dat zijn instituut, gespecialiseerd in internationaal recht, vrijwel wekelijks verzoeken krijgt van juridische deskundigen uit de hele wereld om een tijdje in Den Haag te komen werken. Ook is er een „bijna natuurlijke trek van juridische instellingen” naar de stad.

Hoeveel de Nederlandse overheid investeert in het binnenhalen en behouden van intergouvernementele organisaties is nooit berekend. Hoewel het waarschijnlijk om honderden miljoenen euro’s gaat is dat bedrag relatief, stelt Paul Wilke. „De begroting van Defensie bedraagt al 8 miljard.” Bovendien besteden de organisaties en hun werknemers ook veel in Nederland. Nou ja, vooral in Den Haag. „Inderdaad, Groningen ziet daar niet zoveel van”, zegt Wilke. Investeringen van het Rijk die bijdragen aan de internationale profilering van Den Haag vindt burgemeester Van Aartsen logisch. „Er wordt toch ook geïnvesteerd in de Zuidas en de Maasvlakte?”

Soep en crackers

Het gemiddelde jaarinkomen van een expat bedraagt 77.000 euro (bruto), waarvan ongeveer 80 procent in Nederland wordt gespendeerd. Evident is dat de middenstand in Haagse ‘expatwijken’ als het Statenkwartier, de Archipelbuurt en in mindere mate het Benoordenhout, ervan profiteert. Dat geldt ook voor andere ondernemers. Makelaars hebben door de combinatie van hoge huizenprijzen en het grote verloop van bewoners – veel expats verhuizen na een paar jaar weer – de afgelopen jaren goede zaken gedaan in de expatwijken. Op de huizenmarkt zijn ook bemiddelingsbedrijven, met namen als ‘Expat Housing’ actief. In ruil voor bemiddeling wordt een maand huur, in dit soort wijken al gauw 1000 euro, gerekend.

De dure huisvesting is een van de frustraties van Milos Tomin. De Serviër is taalassistent en secretaris van de ondernemingsraad van het Joegoslavië-tribunaal. 840 euro betaalt hij in totaal voor zijn „simpele appartement” in Houtwijk, niet de chicste wijk van Den Haag. „In het begin leefde ik op een dieet van soep en crackers om mijn huur te betalen.” Uit het recent in opdracht van BZ uitgevoerde onderzoek Be our guests blijkt dat buitenlanders de hoge kosten van het levensonderhoud (vooral huisvesting) als een van de grootste nadelen van Nederland zien. Een ander al langer bestaand punt van kritiek is de gezondheidszorg. Vooral met het „egalitaire systeem” en met de ‘bewakersrol’ van de huisarts hebben expats moeite.

In deze onvrede zagen ondernemers een kans. Zo’n twee jaar geleden werd het International Health Centre The Hague (IHCH) geopend. Naast huisartsen werken ook een paar specialisten bij het gezondheidscentrum. Het IHCH richt zich specifiek op expats: zes- van de achtduizend patiënten zijn buitenlands. Er zijn artsen met Engels, Frans en Spaans als moedertaal. Het is namelijk lastig om in een vreemde taal klachten duidelijk te maken, zegt directeur Philip Boerebach. „Probeer maar eens in het Engels uit te leggen waar je milt zit.” Het IHCH ondermijnt het Nederlandse gezondheidsstelsel niet, stelt Boerebach. „Wij draaien met alles mee in Nederland, en we verdienen ons geld als gewone huisartsen.”

Ook Bronovo, het vaste ziekenhuis van de Oranjes, heeft een paar jaar geleden de expats ontdekt. „Maar wij willen vooral voorlichting geven”, zegt kinderarts Melanie Thomas. Bijvoorbeeld over het egalitaire systeem. Chirurg Onno Guicherit: „Expats zijn over het algemeen gewend: hoe meer je betaalt hoe eerder je geholpen wordt.” Veel buitenlanders denken dat de gezondheidszorg in Nederland een overheidstaak is en dat er daarom weinig geld aan wordt uitgegeven, zegt Guicherit. Hij kent een grapje over de Nederlandse gezondheidszorg dat buitenlanders elkaar graag vertellen: ‘Oh, je hebt kanker. Hier heb je een aspirine’.

In het buitenland speelt de gezondheidszorg een andere rol dan in Nederland. In de Verenigde Staten is het gebruikelijk om voor relatief onschuldige klachten een uitgebreide diagnose te laten stellen. Om de verschillen met Nederland te verduidelijken heeft Bronovo een Engelstalige website en telefoniste: voor de expats geen antwoordapparaat meer. „Daar hebben ze een gruwelijke hekel aan”, zegt Guicherit. Van een voorkeursbehandeling is volgens de chirurg geen sprake. „De wachttijd voor een expat is hetzelfde als voor een Nederlander.”

Veel lijken de extra inspanningen nog niet te hebben geholpen. Uit het onderzoek Be our guests blijkt dat tweederde van de buitenlandse werknemers van internationale organisaties (zeer) ontevreden is over de kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg.

Met Den Haag als verblijfplaats gaat het de goede kant op, vinden buitenlanders die er al langer wonen. Was Den Haag bij haar komst twintig jaar geleden nog een „dode stad”, zegt de Australische Michele Visser-Fitton, de laatste jaren is Den Haag „veel kosmopolitischer en spannender” geworden. „Er gebeurt van alles, ook op cultureel gebied.” Toch zijn ook daarover niet alle buitenlandse Hagenaars tevreden. Volgens Be our guests zien expats het culturele aanbod als een van de belangrijkste verbeterpunten.

De stad heeft een „weinig attractief karakter voor jonge professionals”. Milos Tomin van het Joegoslavië-tribunaal zegt het minder diplomatiek. „Den Haag is te klein, saai en heeft te veel snobs.” Hij vergelijkt de stad met Novi Sad in Servië. Ongeveer even groot, op korte afstand van een bruisende hoofdstad (in Servië Belgrado) en „niets te doen”.

Onder expats bestaat ook nog altijd veel onvrede over de kille en onbeleefde houding van Nederlanders, en de gebrekkige service in de dienstverlening. Uit een onderzoek van de Wereldomroep van vorige zomer blijkt dat zowel buitenlandse expats die in Nederland wonen als Nederlandse expats die in het buitenland werken, Nederlanders onbeleefd vinden. Op de website expatica.com wemelt het van de klachten over Nederland en zijn bewoners.

De Amerikaanse Courtney Smith van Rij, die zich namens de gemeente Wassenaar – ruim een kwart van de inwoners is buitenlands – inzet om nieuwkomers welkom te laten voelen, zegt: „Je moet naar Nederlanders toe gaan, ze komen niet naar jou toe.” Anderzijds leven veel expats in een afgescheiden circuit: ze ontmoeten elkaar op besloten borrels, verenigen zich in (vrouwen-) clubs en hun kinderen gaan naar een van de vele internationale scholen in Den Haag. Smith van Rij: „Ik ken genoeg mensen die hier vijftien tot twintig jaar wonen, maar die geen woord Nederlands spreken.”

Dat is voor sommige Hagenaars een bron van onvrede. Bijvoorbeeld Wilma Marijnissen, al bijna twintig jaar bewoonster van de Archipelbuurt. Ze woont in zo’n gemoedelijk oud straatje waar de mensen in de zomer samen op straat eten. De laatste jaren is er sprake van een „grote invasie” van expats, zegt Marijnissen. Met hen heeft ze nauwelijks contact, omdat veel expats maar een paar jaar blijven. „De verhouding is zoek, de groenteboer spreekt ook bijna alleen nog maar Engels.”

Marijnissen vindt Den Haag zo leuk omdat het een stad is van Hagenaars en Hagenezen, haar vader komt uit de Schilderswijk. Maar voor de Hagenees met zijn familiebedrijfje is geen plek meer, meent Marijnissen. „Die wordt van bedrijventerrein Binckhorst verbannen naar Pijnacker-Nootdorp. In de nieuwe Binckhorst is er plek voor internationaal georiënteerde mensen. Het is jammer dat de stad zo nadrukkelijk kiest voor de mensen die geld meebrengen.”

Joris Wijsmuller, gemeenteraadslid van de Haagse Stadspartij, vindt dat het stadsbestuur „verblind” is door de internationale aspiraties. Zo heeft Den Haag een ‘internationale zone’ (gebied waar internationale instellingen zijn gevestigd) met daarlangs een ‘internationale ring’ (autoweg), en bedrijventerrein Binckhorst moet een „bruisende stadswijk” met een „mondiaal karakter” worden. Een teveel van dat soort deelplannen gaat „ten koste van het groen en voorzieningen voor andere Hagenaars”, zegt Wijsmuller.

Burgemeester Jozias van Aartsen wil een brug slaan tussen de internationale gemeenschap en de ‘gewone Hagenaar’. Hij gebruikt het economische gewin als argument om de inwoners van zijn stad te overtuigen. „Ook de Turkse bakker op de Vaillantlaan profiteert ervan”, zegt de burgemeester. „Maar in Den Haag zit het nog niet bij iedereen in de vezels.” Directeur van het TMC Asser Instituut Frans Nelissen merkt dat ook. „De gemiddelde burger heeft geen idee wat hier gebeurt, en gedraagt zich ook zo.” Van Nelissen mag het internationale karakter van Den Haag wat zichtbaarder worden: plaats bordjes die naar de internationale instellingen verwijzen en hang vlaggen op.

Luchtkasteel

Hans van Loon, secretaris-generaal van de Haagse Conferentie van Internationaal Privaat Recht vindt dat het klimaat voor internationale organisaties sterk verbeterd is. Wel heeft hij de indruk dat er nog te veel óver in plaats van mét de internationale organisaties wordt gesproken. „Ik kan me voorstellen dat er een drempel is om naar de internationale instellingen toe te gaan, maar het is nodig: anders wordt het een luchtkasteel.” Volgens Van Loon zouden de internationale organisaties graag met de gemeente en rijksoverheid willen discussiëren over de huisvesting van de organisaties op lange termijn, en over praktische zaken als ingewikkelde regelgeving.

De internationale organisaties zouden ook graag zien, zegt Frans Nelissen, dat Nederland meer doet om een „bruisende kennisinfrastructuur” op te bouwen. Hij bedoelt: meer kennis- en onderwijsactiviteiten op het gebied van internationaal recht, vrede en veiligheid. „Nadat internationale organisaties zijn binnengehaald lijkt het te stoppen.”

Dat idee leeft ook bij de werknemers van het Joegoslavië-tribunaal, zegt bedrijfspsycholoog Kevin Cullen. „De gemeente en het Rijk zijn heel goed in het binnenhalen van internationale organisaties en het promoten daarvan.” Dat schept hoge verwachtingen. „Je zou verwachten dat er goed naar problemen van buitenlandse werknemers geluisterd wordt”, zegt Cullen. Maar dat gebeurt volgens hem zelden. Cullen: „Er wordt een beeld gecreëerd: ‘We zorgen goed voor onze expats’. Maar daaronder schuilt een hoop ongenoegen.”

Meerdere recente onderzoeken constateren dat er voor Den Haag en Nederland als verblijfplaats nog het nodige te verbeteren valt. Al kan daar volgens de Australische Michele Visser-Fitton een kanttekening bij worden geplaatst. „Alleen als je ontevreden bent doe je mee aan die onderzoeken.” Chirurg Onno Guicherit voegt daar aan toe: „Kankeren is geen Nederlandse uitvinding.” Sommige mensen, verzucht Visser-Fitton, zouden nooit naar het buitenland moeten verhuizen. Voor hen wordt het nooit zo goed als thuis.