Het opendraaien van de geldkraan

In Duitsland kostte een brood in 1923 een paar miljard mark. Economen zijn verdeeld over de vraag of die situatie zich in de huidige crisis kan herhalen.

Het doembeeld van de Grote Depressie uit de jaren dertig van de vorige eeuw duikt sinds het uitbreken van de kredietcrisis steeds vaker op: massaontslagen, dalende beurskoersen en hyperinflatie. De eerste twee schrikbeelden zijn al min of meer realiteit geworden. Verschillende overheden bestrijden de symptomen met miljarden euro’s en dollars steun aan banken en noodlijdende bedrijven. Maar hoe reëel dreigt daardoor het gevaar van het derde grote spookbeeld: hyperinflatie?

De afgelopen jaren schommelde de jaarlijkse inflatie in Nederland tussen de 1 en 3 procent. Voor dit jaar verwacht het Centraal Plan Bureau (CPB) een daling van de inflatie naar 1 procent. Deze prijsstijgingen zijn niets vergeleken bij de situatie in Duitsland in de jaren twintig van de vorige eeuw. Een brood kostte in november 1923 een paar miljard mark. In een maand tijd was de inflatie 2.500 procent gestegen. „De Duitsers gingen toen zo snel mogelijk hun biljetten van miljarden mark uitgeven om te voorkomen dat deze een paar uur later alweer waardeloos waren geworden”, zegt historicus en papiergelddeskundige Erik van der Kam.

Wanneer een land zoveel geld creëert dat het niet in verhouding staat tot de economische groei kan hyperinflatie ontstaan. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en vlak daarna was de geldcirculatie helemaal verstoord. Door de hoge herstelbetalingen en de bezetting van het Ruhrgebied was de Duitse economie geruïneerd. Als enige uitweg werd het laten draaien van de geldpersen gezien. De gestegen geldhoeveelheid leidde tot enorme inflatie. In 1924 werden zelfs biljetten tot honderd biljoen mark uitgegeven.

Hyperinflatie, een inflatie van meer dan 50 procent per maand, is echter zeldzaam. In de geschiedenis kwam het enkele tientallen keren voor. In Frankrijk ontstond het na de Franse revolutie en in Hongarije na de Tweede Wereldoorlog. Dit leidde tot dramatische taferelen. Hongaren moesten ten tijde van de periode van grote geldontwaarding dagelijks naar het nieuwsbericht op de radio luisteren om te horen hoeveel hun geld nog waard was.

Ook in de huidige tijd bestaat hyperinflatie. In november 2008 werd de jaarlijkse inflatie in Zimbabwe officieel geraamd op 230 miljoen procent. De officieuze schatting is dat de inflatie er miljarden procent is. Mensen doen met een rugzak vol papiergeld boodschappen. In januari gaf de centrale bank in Zimbabwe daarom toestemming om voortaan Amerikaanse dollars en Zuid-Afrikaanse rands te gebruiken. Op het platteland is zelfs al overgaan naar ruilhandel.

Deze scenario's lijken vooralsnog een ver-van-mijn-bedshow voor de geïndustrialiseerde landen. De kans dat een kopje koffie in Nederland volgend jaar 100 000 euro kost, lijkt te verwaarlozen. „De meeste landen zijn eenvoudig te klein om de geldpers aan te zetten”, zegt econoom Michael Koetter, van de universiteit van Groningen. „Bovendien zijn de leden van de Economische en Monetaire Unie (EMU) gebonden aan internationale contracten. De VS zijn niet gebonden aan wetten, hier wordt vrijwillige beheersing van het monetaire systeem verwacht.”

Economen waarschuwen daarom liever voor het risico van deflatie, oftewel prijsdalingen. Als de prijzen dalen, wachten mensen met het doen van aankopen, omdat deze morgen goedkoper zullen zijn. Dat resulteert in minder productie, hogere werkloosheid en salarisverlagingen.

Ben Bernanke, de voorzitter van het stelsel van centrale banken van de Verenigde Staten, is een van deze economen. Hij bestudeerde als wetenschapper de crisis van 1929. Toen Japan in de jaren negentig kampte met economische stagnatie en deflatie, had volgens hem „het geld desnoods met een helikopter boven het land uitgestrooid moeten worden” om de economie aan de praat te houden. Bernanke verwierf hierdoor de bijnaam ‘Helikopter Ben’.

Niet iedereen is het met hem eens. De Verenigde Staten stevenen wel degelijk af op een situatie die vergelijkbaar is met die in Zimbabwe. Althans dat zegt de Zwitserse econoom en belegger Marc Faber. Hij brengt elke maand het gloom, doom & boom-rapport uit. In een interview met de Amerikaanse nieuwszender CNBC zei Faber dat er in de Verenigde Staten een totaal nieuwe economische school is ontstaan: de Zimbabweaanse school. Het bestaat uit een monetaire beleid waarbij de oplossing van elk probleem bestaat uit het drukken van geld. En als dat niets oplost, drukken de centrale banken meer geld. En als het dan nog slechter gaat, drukken ze nóg meer geld. Dit kan volgens Faber niet goed blijven gaan. Hij sluit een inflatie van 200 procent in de VS op termijn niet uit.

De meeste economen wagen zich niet aan zulke voorspellingen. Volgens Koetter is het wel mogelijk dat er inflatie ontstaat, omdat er zoveel geld in het systeem is gepompt. Het is volgens hem belangrijk dat centrale banken de balans vinden tussen monetaire stabiliteit (en daarmee een stabiele inflatie) en het verschaffen van voldoende geld aan financiële instellingen. Het grootste gevaar is volgens hem dat, net als in de jaren twintig uit de vorige eeuw, een beleid van protectionisme ontstaat.

De meningen onder economen of het vergroten van de geldhoeveelheid uiteindelijk de hyperinflatie zal aanwakkeren zijn verdeeld. Historicus Erik van der Kam acht een situatie als in Duitsland in de jaren twintig van de vorige eeuw niet waarschijnlijk. „Het beste is er niet te veel over te praten. Anders wordt inflatie een self-fulfilling prophecy.”