'Forever', mompelt de veiligheidsman

Arnon Grunberg is op reis naar Irak. Deel 2 van een serie.

Passagiers voor Turkish Airlines vlucht 1202 van Istanboel naar Bagdad dienen zich te verzamelen in een uithoek van de luchthaven waar ze onderworpen worden aan een extra veiligheidscontrole.

Onder mijn arm draag ik The Forever War van Dexter Filkins. Een uitstekend boek over de oorlogen in Afghanistan en Irak, niet in de laatste plaats omdat Filkins zich op het standpunt stelt dat feiten duiden iets is wat lezers zelf kunnen.

De Turkse jongeman van de veiligheidscontrole ziet het boek en begint te lachen. „Ik zei ‘forever’ tegen mijn vriendin”, verklaart hij. „Niet tegen oorlog.”

Hij is zo onder de indruk van de titel dat hij vergeet in mijn tas te kijken.

Terwijl ik gefouilleerd word, vraagt hij: „Mag ik het boek nog even zien?”

Hij bekijkt de flap, schudt zijn hoofd en mompelt: „Forever, forever.”

Op de vlucht bevindt zich behalve ik slechts één westerling. Verder Irakezen en Turkse heren die, vermoed ik, zaken hopen te doen in Irak.

Het civiele gedeelte van de luchthaven van Bagdad wekt de indruk nog uit de tijd van Saddam te stammen. Aan het eind van de slurf is een dichte deur. De westerling, een lange, kale Amerikaan, schopt tegen de deur. Na zes, zeven keer schoppen gaat die deur open.

Voor de douane bevindt zich een grote groep Afrikanen. Nieuwe huurlingen vermoed ik. Van mijn vorige verblijf in Irak, mei 2008, herinner ik me dat meer en meer taken werden uitbesteed aan huurlingen.

Bij de bagageband blijken de Amerikaan, hij heet Mike, en ik gebruik te van hetzelfde beveiligingsbedrijf voor onze verdere reis richting Bagdad.

Mike is een ‘private contractor’ voor het DOD, Department of Defense. Hij bouwt, naar eigen zeggen, politiebureaus. Door het hele land. Maar zelf komt hij de Groene Zone, ook ook wel genaamd Internationale Zone (IZ), in Bagdad niet uit.

„Heb je de nieuwe Amerikaanse ambassade in de IZ gezien?”, vraagt Mike. „De grootste Amerikaanse ambassade ter wereld, en dan nog denken mensen dat de Amerikanen Irak zullen verlaten.”

Een honende lach komt uit Mike’s mond.

„Ik zeg je, ze zitten in Irak, ze zitten in Afghanistan en over een tijdje zeggen ze: laten we elkaar in het midden ontmoeten. En dan zitten ze in Iran. Over vijftien jaar bouw ik politiebureaus in Teheran. Dan zijn we daar de boel aan het opbouwen.”