'Doodzonde dat dit altaarstuk het land heeft verlaten'

Deze week verliet een zeldzaam altaarstuk, ooit van Goudstikker, ons land. Waarom lukte het niet om dit belangrijke kunstwerk te behouden? Een reconstructie.

Grote altaarstukken uit de vroege zestiende eeuw zijn schaars in Nederland. Veel zijn er vernietigd tijdens de Beeldenstorm van 1566, andere gingen verloren in later eeuwen, toen katholieke voorstellingen uit de mode raakten. Museum De Lakenhal in Leiden bezit enkele drieluiken van Cornelis Engebrechtsz en Lucas van Leyden, het Catharijneconvent in Utrecht heeft een fraaie kruisigingstriptiek van Jan van Scorel. En in het Centraal Museum in Utrecht hing tot 2006 een prachtig altaarstuk uit het Utrechtse Karthuizer klooster Nieuwlicht.

Tot 2006, want in dat jaar moest het Centraal Museum zijn ‘Laatste avondmaal’ van de Meester van het Pauw en Zas afstaan. Het behoorde tot de collectie die door de Nederlandse staat werd teruggegeven aan de Amerikaanse erfgenamen van de joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (zie kader). Diverse vooraanstaande kunsthistorici, onder wie voormalig Rijksmuseumdirecteur Henk van Os en oud-directeur van het Catharijneconvent Henri Defoer, betreuren dit verlies. Zij menen dat Nederland een onvervangbaar kunstwerk kwijtraakt, dat vooral voor de stad Utrecht van groot historisch belang is. Samen met kunstadviseur Marina Aarts startte Van Os daarom ruim een jaar geleden een stille campagne om het drieluik te behouden voor Nederland.

Die campagne begon veelbelovend. Van Os, bestuurslid van Kasteel Huis Bergh in ’s-Heerenbergh, kreeg voor elkaar dat het triptiek daar een jaar lang als bruikleen mocht hangen, om zo potentiële geldschieters voor het werk te interesseren. De vraagprijs was één miljoen Britse pond, destijds nog zo’n 1,4 miljoen euro. Aarts en Van Os hadden tot 1 januari 2009 om dat bedrag bij elkaar te krijgen. Al snel meldde het Catharijneconvent zich als gegadigde. Het museum had intussen contact gelegd met de Utrechtse Van Baaren Stichting, een particuliere stichting die een grote kunstcollectie beheert. Deze Stichting had bij de brand in het Armando Museum in oktober 2007 een schilderij van Daubigny verloren en wilde de door de verzekering uitgekeerde som van 750 duizend euro wel inzetten voor de verwerving van het triptiek. Maar intussen had ook het Centraal Museum zijn interesse kenbaar gemaakt en dreigde er een situatie van concurrentie te ontstaan. Daarom werd afgesproken dat het schilderij na aankoop twee jaar lang in het Catharijneconvent zou worden getoond. Daarna zou het door het Centraal Museum gerestaureerd worden en een permanente plek krijgen in de collectie, net als veel kunstwerken van de Van Baaren Stichting.

Nu was het zaak het resterende bedrag te vinden. Omdat het Britse pond in waarde daalde, kwam tegen het einde van 2008 de vraagprijs steeds meer in zicht. Maar ook de deadline van 1 januari naderde. De Van Baaren Stichting wilde niet meer geld vrijmaken en nam ook het standpunt in dat zij als enige partij eigenaar wilde zijn. Maar het bod van 750.000 euro dat tussen Kerst en Oudjaar aan de erven Goudstikker werd doorgegeven, werd afgewezen. En dus keerde het triptiek deze week terug naar de Verenigde Staten.

Volgens Henri Defoer is Nederland daarmee een belangrijk historisch kunstwerk – „een schakelstuk” - kwijtgeraakt. „Het is afkomstig uit het klooster Nieuwlicht, een belangrijk cultureel centrum, waarover veel bekend is. Het had onder meer een grote bibliotheek, waarvan nog 145 handschriften over zijn. Het altaarstuk is een van de weinige gave drieluiken die bewaard zijn gebleven. Behalve de Van Scorel uit het Catharijneconvent is er nog een klein paneeltje van Jan van Eyck in de New Yorkse Frick Collection.”

Henk van Os meent dat het altaarstuk ook heel goed in de collectie van het Rijksmuseum zou hebben gepast. „Met veel verbazing” zag hij hoe de actie om het schilderij te behouden mislukte. „Het triptiek had absoluut aangekocht kunnen worden. Maar alles wat fout kon gaan, is fout gegaan. Er waren te veel ego’s die botsten.”

Maar wat ging er dan precies mis? In dezelfde periode dat Van Os en Aarts actie voerden voor het Utrechtse altaarstuk, lukte het in Dordrecht wel om een schilderij uit de Goudstikkercollectie terug te kopen. Dankzij de actie ‘Geef Dordrecht zijn gezicht terug’ haalde het Dordrechts Museum onder fondsen, particulieren en bedrijven een bedrag van 3,5 miljoen euro op voor de aankoop van het werk Gezicht op Dordrecht van Jan van Goyen. Waarom lukte dat in Utrecht niet?

„Men heeft heel lang gedacht dat de vraagprijs van 1 miljoen pond wel onderhandelbaar zou zijn”, zegt kunstadviseur Marina Aarts. „De advocaten van de erven Goudstikker zouden wel door de knieën gaan voor de 750.000 euro die op tafel lag, zo redeneerde men. Maar dat was niet zo.” Daarnaast, zegt Aarts, „hebben het Catharijneconvent en het Centraal Museum op een ongelukkige manier langs elkaar gecommuniceerd. Ze wilden het werk allebei zelf verwerven.”

Guus van den Hout, directeur van het Catherijneconvent, ontkent dat de twee musea elkaar hebben tegengewerkt. „Onze insteek was dat dit belangrijke stuk in Utrecht moest blijven, ongeacht waar het uiteindelijk zou komen te hangen.” Met een aankoopbudget van 25.000 euro per jaar was het voor Van den Hout onmogelijk om zelf een fondsenwervingsactie te beginnen, zegt hij. „Fondsen dragen alleen bij als je zelf ook een aanzienlijk bedrag bijlegt. Toen duidelijk werd dat het Catherijneconvent het werk nooit zou kunnen aankopen, heeft het Centraal Museum het initiatief overgenomen. Dat museum heeft immers dankzij een gift van de Bankgiroloterij meer aankoopmogelijkheden.”

Toen de bal bij het Centraal Museum kwam te liggen, waren er nog maar drie maanden te gaan. En de Van Baaren Stichting was nog altijd in de race. Liesbeth Helmus, conservator oude kunst bij het Centraal Museum, vond de Mondriaan Stichting uiteindelijk bereid om het tekort aan te vullen. Maar die financiële constructie bleek niet mogelijk. De Mondriaan Stichting mag geen geld geven aan particulieren en de Van Baaren Stichting wilde per se de enige eigenaar blijven. De 750.000 euro aan het Centraal Museum schenken was volgens de stichtingsstatuten niet mogelijk.

Helmus is ervan overtuigd dat als het Centraal Museum vanaf het begin vrij spel had gehad, het haar gelukt was het drieluik aan te kopen. „Wij hebben het afgelopen jaar meer grote aankopen gedaan, zoals de Rietveld-stoel. Ik ben, rekening houdend met de voorgeschiedenis, voortgegaan op het pad dat al was ingeslagen. Die insteek was vanaf het begin een verkeerde. Als het Centraal Museum vanaf dag één de ruimte had gekregen, was het gelukt, daar ben ik zeker van. Dan waren we een heel ander traject ingeslagen. Er is ons uiteindelijk te weinig tijd gegund om de fondsenwerving voor elkaar te krijgen.”

Wat ook mee heeft gespeeld, denkt Henri Defoer, is dat het Centraal Museum in de afgelopen periode een interim-directeur had. „Bij het verwerven van zo’n kunstwerk moet je als museum een directeur hebben die zich volledig achter zo’n aankoop kan scharen.” Maar Helmus ontkent dat dit heeft meegespeeld. „Ik ging ervan uit dat de financiering rond was. Toen bleek dat de onderhandelingen met de Van Baaren Stichting vastliepen, was het te laat om de koers nog te wijzigen.”

Het is doodzonde, zegt Helmus, dat het schilderij nu uit Nederland vertrekt. „Ik had het restauratieplan al klaarliggen en zelfs de financiering van de restauratie was al rond. De vleugels van het drieluik zijn ooit doorgezaagd, waardoor het eigenlijk een vijfluik is geworden. Ik wilde de voor- en achterzijde weer in de oude staat reconstrueren.” Ze hoopt nu dat het schilderij nog een tweede kans krijgt. „Ik blijf het stuk volgen en het Centraal Museum blijft zich inzetten voor de aankoop. Het is geen courant stuk. Misschien blijft het werk onverkocht.”

Henk van Os denkt dat er buiten Nederland waarschijnlijk weinig belangstelling voor het drieluik is. En ook Henri Defoer zegt dat het altaarstuk in het buitenland geen enkele functie heeft. „Het is gemaakt door een onbekende Utrechtse meester, niet door een grote naam als Van Heemskerck of Van Scorel.”

Maar volgens Aarts is het „een gelopen race”. De advocaten van Goudstikker willen niet met de prijs zakken, zegt ze. „Ze zijn gewoon zakelijk. Dat het kunstwerk van groot belang is voor Utrecht, zegt hen niets. Ze vinden net zo lief een andere koper.”