Denken in het groot

Tijdens een economische crisis moet je investeren in de kennissector. Maar het gevaar dreigt dat onderzoek dan wordt gezien als luxe. Vier Nederlandse leiders van grote Europese onderzoeksprojecten spreken elkaar. Margriet van der Heijden

Het gesprek was vorige week maandag. Voordat het Centraal Planbureau de sombere economische scenario’s naar buiten bracht. Maar de gesprekspartners hebben al over de recessie nagedacht. Op verzoek van NRC Handelsblad praten vier onderzoeksleiders en -bestuurders over de toekomst van het bètaonderzoek in Nederland én in Europa.

“Het gevaar is dat onderzoek en ontwikkeling nu wordt gezien als luxe”, zegt dr. Hans Chang, directeur van de Stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) die geld voor natuurkundig onderzoek beheert. “Ik hoop dat de regering, nu de crisis hard toeslaat, het belang inziet van een goede balans. Tussen kortetermijnmaatregelen om kennis in ons land te houden en langetermijnmaatregelen om uit de dip te komen met een stevige kennissector.”

Behalve Chang, die een wat afstandelijke plek terzijde kiest, zitten aan tafel: prof. dr. Niek Lopes Cardozo, prof. dr. Jos Engelen en prof. dr. Tim de Zeeuw. Alle vier leiden of leidden ze grootschalige Europese onderzoeksprojecten.

Engelen is sinds kort bestuursvoorzitter van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), hij was als wetenschappelijk directeur van het CERN bij Genève inhoudelijk verantwoordelijk voor de LHC, die vorig jaar opstartte en toen kapot ging. De Zeeuw is directeur-generaal van de European Southern Observatory (ESO), die onder meer de grootste telescoop op aarde beheert, de Very Large Telescope in Chili. Lopes Cardozo is als vice-voorzitter van het Europese Fusion for Energy medeverantwoordelijk voor ITER, de eerste grote kernfusiereactor ter wereld, in aanbouw bij het Franse Cadarache. En Chang was onder meer de eerste voorzitter van het forum (ESFRI) dat de Europese Commissie adviseert over grootschalige Europese onderzoeksprojecten.

Bij de onorthodoxe maatregelen waarmee het kabinet de recessie te lijf wil gaan, moeten óók maatregelen zitten om ‘onderzoeksinfrastructuren’ op te zetten, vinden zij alle vier. Om grote meetinstrumenten te bouwen dus, of om computernetwerken aan te leggen – juist nu, omdat de Europese en de Nederlandse industrie daarvan profiteert.

Eensgezind vinden zij verder dat het bedrijfsleven zich in de welvarende jaren veel te weinig heeft ingespannen voor onderzoek en ontwikkeling.

En zij denken dat Europa zelfbewust zijn eigen onderzoekslijnen moet uitstippelen. De VS waren de afgelopen 20 jaar in elk geval geen goede gids in het internationale onderzoek.

EUROPA

Vooraf was de vraag: worden grote Europese onderzoeksprojecten belangrijker? Hoe staan ze tot het onderzoek in eigen land? Welke plaats neemt het Europese onderzoek in de wereld in? En welke rol spelen veranderende internationale verhoudingen daarbij?

Dát grote Europees onderzoeksprojecten belangrijker worden, daarover is dit gezelschap het eens. Omdat, vat Engelen samen, veel onderzoek zelf grootschaliger wordt. Omdat landen dan niet langer zelf alle expertise in huis hebben. En omdat alleen samenwerking dus genoeg kennis, geld en menskracht – ‘kritische massa’ – bij elkaar brengt om grote instrumenten en andere infrastructuren te bouwen.

Er is ook een ideële reden om samen te werken, zegt hij verder. “CERN werd ook opgericht om landen die kort daarvoor nog in oorlog waren, constructief te laten samenwerken. De ‘zuivere wetenschap’ moest het gemeenschappelijk doel vormen dat verbindt.”

“Maar als het erom gaat vrede te stichten vind ik ITER, de nieuwe kernfusiereactor, toch het mooiste voorbeeld”, zegt Chang. “ITER werd geboren toen de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan en zijn Russische collega Michail Gorbatsjov elkaar voor het eerst ontmoetten, bij het meer van Genève. Aan het einde van het gesprek moesten zij nog een gezamenlijk en constructief project bedenken” – “wat héél lang zou duren”, onderbreekt astronoom De Zeeuw spottend – “en dat is ITER geworden.”

COMPETITIE

In de astronomie was het anders, zegt De Zeeuw. Daar was competitie juist een drijfveer achter de Europese samenwerking in ESO. Vanaf halverwege de vorige eeuw kregen Amerikaanse astronomen, onder meer dankzij particuliere giften, de beschikking over grote telescopen. “Europese astronomen moesten iets doen om hun positie niet helemaal weg te geven. Zij bouwden telescopen in de woestijn van Chili, waar aan de zuidelijke sterrenhemel nog veel te ontdekken was. En ze keken het organisatiemodel van CERN af. ESO begon klein, met 6 landen. Nu zijn het er 14 en overwegen we landen van buiten Europa te laten deelnemen.”

Maar het moet niet lijken alsof Europa vooral een blok tegen de rest van de wereld moet vormen, werpt Chang tegen. “Dat zou slecht zijn. Er is een competitie-element, maar we moeten uitstralen dat we globaal willen werken.” Wereldwijd dus.

Chang: “Alleen: daarvoor moeten we eerst onze krachten bundelen. Zeker in Europa, want de besluitvorming verloopt hier trager, moeilijker en gecompliceerder dan in de VS, Japan of China.”

CHINA

Engelen: “Je moet niet naïef zijn over Europese samenwerking.” Het is gewoon nodig, bedoelt hij. Alleen als Europese landen samenwerken, vormen zij een partij voor grote landen als Rusland, China of India. “Pas als de krachten min of meer langs Europese lijnen gebundeld zijn, kun je verder kijken.” Zo ging het ook bij het CERN. Aan de grote experimenten bij de LHC-versneller werken nu 7.000 mensen uit 80 landen.

China heeft “geen geld tegen CERN aangegooid”, zegt Engelen. “En ik vind samenwerking met China ook een lastige kwestie. Als ik onderhandel met India over een bijdrage in de vorm van geld en mensen, dan weet ik dat Indiase onderzoekers vooraf geraadpleegd zijn. Ik weet dus dat de samenwerking bij de onderzoekers zelf in goede aarde valt. Maar in China weet ik dat niet. Het is geen democratie. Dat maakt mij terughoudend.”

En Rusland? Engelen: “Dat zit wat mij betreft tussen India en China in. Rusland een democratie noemen, gaat mij wat ver.”

In het veel jongere kernfusieproject ITER speelt China wel een grote rol, zegt Lopes Cardozo. ITER is ook verder niet helemaal vergelijkbaar met ESO en CERN. ESO en CERN gebruiken versnellers en telescopen voor metingen. In ITER is de kernfusiereactor zelf het experiment.

En als dat aantoont dat je daadwerkelijk energie kunt opwekken via kernfusie, dan heeft de bijbehorende technologische kennis meteen een grote strategische waarde, licht Lopes Cardozo toe. “De landen die nu aanhaken – India, China en Korea – doen dat dus uit wetenschappelijke én strategische interesse.”

Europa is gewoon een van de zeven deelnemende landen, naast Korea, China, Japan, India, Rusland en de VS. “Maar Europa draagt wel het meeste bij en heeft de grootste expertise in het kernfusieonderzoek. Daarom is hard gevochten om de reactor hier te krijgen”, zegt Lopes Cardozo.

Later in het gesprek zegt hij dat aan die Europese standplaats ook een risico zit. “Aan één instituut in China promoveren meer kernfusieonderzoekers dan in al het Europese kernfusieonderzoek samen. Misschien hebben we straks in Europa een prachtig apparaat, dat vooral door Chinezen wordt gebruikt.”

DUIVENTIL

Profiteren onderzoekers in Nederland en de andere Europese landen sowieso genoeg van de grootschalige projecten? Chang: “Je kunt er alleen succesvol aan meedoen als je ook een stevige thuisbasis hebt in eigen land.” Daar heb je goede onderzoeksinstituten en -scholen voor nodig, vallen de anderen bij. Zodat je steeds nieuw talent kunt opleiden. En onderzoekers moeten kunnen terugkeren en niet in Europa verdwijnen als duiven zonder til.

In de praktijk betekent het dat er ongeveer evenveel overheidsgeld naar de projecten gaat, als naar de thuisbasis. Engelen: “In andere landen is die verhouding wel eens anders, en dan blijkt het erg moeilijk om de stroom excellente onderzoekers op gang te houden.”

VERENIGDE STATEN

Hebben de VS dat beter voor elkaar? Daar kunnen onderzoekers in elke staat terecht. En daar hoeven staten niet met elkaar te concurreren.

De Zeeuw: “Dat is waar, maar in de VS is er veel onderlinge concurrentie tussen universiteiten, die door schenkingen vaak erg rijk zijn.”

Engelen: “In mijn vakgebied bijvoorbeeld, waren de VS in een heel goede positie om de volgende grote versneller, de opvolger van de LHC-versneller, alvast te claimen. Maar de universiteiten en onderzoeksinstituten konden onderling geen overeenstemming bereiken. En dan gaat een regering ook niet voor je lopen.”

Toch zijn er evenveel tegenvoorbeelden, blijkt uit het gesprek. In de ruimtevaart vormt NASA een formidabel Amerikaans instituut waar Europa niet tegenop kan. De Zeeuw: “Er zijn nog altijd Europese landen die uit nationale trots hun eigen ruimtevaartonderzoek voorrang geven.” Frankrijk natuurlijk, en Italië ...

Chang: “Ik zat eens in een Europese commissie om het Italiaanse Space Agency te beoordelen. We schreven er een kritisch rapport over en boden dat aan de minister van onderwijs, Letizia Morati, aan. Daarna maakte zij bekend dat Italië dringend behoefte had aan een eigen satelliet. Dat is het politieke spel.”

TRADITIONEEL

“Kernfusie, astronomie en deeltjesfysica zijn traditioneel de gebieden van de Big Science”, stelt Chang vast. Vakmensen – echte specialisten – moeten het daarin over twee dingen eens worden: wat is de wetenschappelijke vraag waarop we antwoord willen? En welk instrument hebben we nodig om dat antwoord misschien te krijgen?

Maar er zijn allerlei andere vakgebieden, zegt Chang, waarin onderzoekers ook behoefte krijgen aan middelgrote en grote infrastructuren – aan grote instrumenten, netwerken en gebouwen dus. En daar komt samenwerking vaak lastiger van de grond.

Chang merkte dat toen hij de eerste voorzitter van het European Strategic Forum on Research Infrastructure (ESFRI) werd. Onder Changs hoede bracht dat voor het eerst alle mogelijke grote Europese projecten in kaart.

Chang: “En dan kom je andere problemen tegen.” Zoals in de micro-elektronica. Daarin gaat het niet om wetenschappelijke vragen, maar om technieken die concurrentie met Azië en de VS mogelijk maken. “En die doelstelling maakt van samenwerking iets heel anders.”

Of neem de geesteswetenschappen, waar behoefte is aan het gezamenlijk beheren van collecties of aan het gebruiken van computernetwerken. Daar is nauwelijks ervaring met samenwerking.

En in veel projecten, zegt Chang, gaat het om multidisciplinaire instrumenten, waaraan de meest uiteenlopende onderzoekers werken. Een voorbeeld zijn synchrotrons – het grote Europese synchrotron staat bij Grenoble in Frankrijk. Onderzoekers uit de archeologie en medicijnen tot en met de schei- en natuurkunde werken met dit instrument, dat materiaalonderzoek met licht en röntgenstralen mogelijk maakt. Chang: “Voor dergelijke projecten is het niet altijd makkelijk om al die mensen dezelfde kant op te krijgen.”

“En als de apparaten niet zo groot zijn, ontstaat vaak politieke discussie: kan ik zo’n ding niet gewoon in mijn eigen land zetten? Of een minister zegt: zo vlak voor verkiezingstijd kan ik niet investeren in een apparaat dat in een ander land komt te staan.”

Het laat zien, vinden de anderen aan tafel, dat ESFRI voorlopig klaar is met zijn werk. De projecten zijn in kaart gebracht. Nu moeten grote landelijke onderzoeksfinanciers zoals NWO aan het werk, en nationale overheden en de Europese Commissie.

BEDRIJVEN

Kan Europese wetenschap meetellen als Europa zo versnipperd is? Terwijl het relatief weinig in onderzoek investeert? De Lissabondoelen om van Europa in 2010 een swingende kenniseconomie te maken, zijn zelfs in de welvarende jaren bij lange na niet gehaald.

“Maar je moet die Lissabondoelen ook niet canoniek verklaren”, zegt Engelen. “Kijk, bedrijven zaten niet aan de onderhandelingstafel. Er werd voor hen besloten dat zij flink zouden bijdragen (2 procent van het bbp) aan investeringen in onderzoek. Eerlijk gezegd, zou ik me dan ook niet gehouden voelen.

“Maar ik verwijt het bedrijfsleven wel dat ze onverantwoord achterover hebben zitten leunen. De inspanningen voor R&D zijn veel te gering geweest.”

Nederland slaat binnen Europa een extra slecht figuur. De Zeeuw: “Ik werk meestal op het ESO-hoofdkantoor bij Garching in Duitsland. Daar ligt op de universiteitscampus het Europees onderzoekscentrum van General Electric. Ik denk niet dat we in Nederland een campus hebben die voor buitenlandse bedrijven zo aantrekkelijk is. Daar kan de publieke sector ook verandering in proberen te brengen, natuurlijk.”

BESCHAMEND

Chang wijst op de investeringsagenda van Herman Wijffels, met daarin opgenomen het rapport-Chang, die een leidraad was bij de kabinetsformatie in 2006. “Iedereen, ook de werkgevers en vakbonden, vond dat er meer geld naar de kennissector moest. Zeker een miljard. Maar daar is weinig van terechtgekomen.”

Hij pakt de grafiek op basis van cijfers uit 2007 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Vergeleken met andere welvarende landen bungelt Nederland, ‘heel beschamend’, onderaan in de groep ‘achterblijvers’. “We zouden toch op zijn minst bij de ‘inhalers’ moeten willen horen.”

De conjunctuur lijkt er niet naar om dat te veranderen. En al helemaal niet om in fundamenteel onderzoek te investeren. Maar dat zien de gesprekspartners anders.

De Zeeuw: “Je zou juist nu grote infrastructuren kunnen aanleggen. Die sleutelen onderzoekers niet zelf in elkaar. Ze vragen de industrie om onderdelen te leveren.”

Lopes Cardozo: “Bij ITER gaat 80 procent van het budget naar de industrie.”

Engelen “Bij NWO hebben we al een wensenlijstje gemaakt.”

Chang: “Ik weet wel waar we het deze weken bij FOM over zullen hebben. Over de ingenieurs en onderzoekers uit bedrijven die op straat dreigen te komen staan. Het zou mooi zijn als we een project kunnen voorstellen waarin zij aan het werk kunnen. In de publiek-private sector, en met steun van de overheid.”

ZELFBEWUST

En de Verenigde Staten? Kunnen die een voorbeeld of stimulans voor Europa vormen nu Obama met zoveel elan over wetenschap heeft gesproken?

“Nou”, zegt Jos Engelen, “ik wil één ding vragen aan iedereen die gelooft dat de VS onze grote redder zijn: Laat mij dan eens zien wat we de laatste twintig jaar aan de VS gehad hebben. Want waarom zouden we die gidsfunctie van de VS accepteren? De VS doen aan ITER mee voor een fooi! Ze doen aan CERN mee voor een fooi! En als er budgetoverschrijdingen zijn dan geven ze niet thuis. Dan beroepen ze zich op limieten die het Congres heeft gesteld. Ze zijn totaal niet geëquipeerd voor internationale samenwerking”

Lopes Cardozo: “De onderzoekers zelf zijn puike mensen, die inhoudelijk enorm bijdragen. Maar het Amerikaanse congres heeft doodleuk de gelden voor ITER geblokkeerd, zodat het zelfs de vraag is of de beloofde onderdelen er wel komen.”

Europa moet zijn eigen weg uitstippelen, vindt Engelen. En beseffen dat het op bepaalde terreinen leidend is. CERN moet wereldleider blijven op het terrein van deeltjesversnellers, vindt hij. ESO moet zijn positie als wereldleider op het gebied van aardse telescopen bestendigen, vindt De Zeeuw. En in ITER moet Europa toonaangevend in de kernfusie blijven, zegt Lopes Cardozo. Engelen: “Maar ook verder moet Europa zelfbewust zijn eigen dingen doen.”

Chang heeft nog wel een kanttekening. Hij raadt zijn gesprekspartners aan toch in elk geval Mahbubani’s boek De eeuw van Azië te lezen. We zullen meer op Azië moeten inspelen, wil hij maar zeggen.