Crisis dwingt Chinese kunst tot meer verdieping

Eigentijdse Chinese kunst was ‘hot’. De crisis maakte daar een eind aan. Galeries sluiten, kunstenaars moeten zich weer verdiepen om te kunnen overleven.

Het atelier van Sui Jianguo staat ergens op de klei van de boerenweilanden, niet ver van de luchthaven van Peking in de wijk Sunyi. Op het ommuurde terrein staan vijf ruim opgezette moderne villa’s, opgetrokken uit zwarte steen. Buiten in de vrieskou staan Sui’s metershoge sculpturen: een romp gehuld in Mao-jasje, tien enorme zwerfkeien verpakt in roestig vlechtwerk en een felgroene dinosaurus.

Binnen in het atelier werkt Sui, gekleed in een gewatteerd colbertjasje, aan een tien meter hoog menselijk skelet van fiberglas dat bestemd is voor het Museum voor Moderne Kunsten in San Fransico. In een hoek staan houten dozen die gelabeld zijn met afbeeldingen van de inhoud: Beelden van Hollandse boerentaferelen die teruggekeerd zijn van de tentoonstelling Go China in Groningen.

Onderwerp van gesprek is de invloed van de financiële crisis op de Chinese kunstwereld.

De resultaten van de kunstveiling bij Sotheby’s in Hong Kong vorig jaar oktober waren mager. Het hoogste bedrag werd geboden voor het schilderij van Zhang Xiaogang: Bloodline; Big Family ging weg voor 1,5 miljoen euro. In mei ging werk van een andere gerenommeerde Chinese schilder Zeng Fanzhi nog weg voor 7 miljoen euro. Van de 49 aangeboden kunstwerken bleven er 19 onverkocht. Dat is opmerkelijk, want in 2006 boekten de kunstveilingen in China samen nog een recordomzet van bijna 200 miljoen dollar voor hedendaagse Chinese kunst.

Beeldend kunstenaars als Sui Jianguo, Feng Zhengjie, Yue Minjun en de gebroeders Gao waren exponenten van een generatie die profiteerden van de opendeurpolitiek van Deng Xiaoping. Zij waren beïnvloed door de propagandastijl van de communistische partij en voelden zich als individuele kunstenaars bekneld tussen het nieuwe kapitalisme en het historisch collectivisme. Hun zoektocht naar een eigen identiteit in een veranderende Chinese samenleving resulteerde in een creatieve explosie die niet onopgemerkt bleef in de internationale kunstwereld.

Honderden galeriehouders en kunsthandelaren in de Verenigde Staten en West-Europa profiteerden van de hausse. Zelfs de internationale musea waren plotseling geïnteresseerd in China. Sui: „Mijn werken werden afgenomen door de twee grote kunstkenners Guy Ullens en Ulli Sigg. Ook Koreaanse galeries kochten regelmatig mijn werk.” Sui deelde mee in de toenemende belangstelling voor Chinese kunst, tot hij zich in 2005 realiseerde dat hij teveel opdrachten aannam en concessies ging doen aan zijn eigen opvattingen over kunst.

„Ik merkte dat mijn creativiteit werd gesmoord en de kwaliteit van mijn werk afnam. Maar ik zag ook dat teveel jonge kunstenaars uit waren op winstbejag en in het kielzog van de gearriveerde kunstenaars hun talenten verloochenden. Ik voelde me medeverantwoordelijk voor hun ontrouw.” Sui ziet vooral de voordelen van de huidige crisis in de kunstwereld, maar hij beseft dat hij gemakkelijk praten heeft. Zijn naam als kunstenaar is al lang gevestigd en bovendien heeft hij een vast inkomen als docent aan verscheidene kunstacademies.

Jaarlijks ziet hij duizenden studenten afstuderen die net als de grote sterren met kunst hun brood willen verdienen. „Een paar jaar geleden struinden de kunstverzamelaars de academies af op zoek naar jong talent. Dat is nu voorbij. Er is veel talent, maar slechts enkelen kunnen met kunst hun brood verdienen.”

Elisa Cousseran is communicatieadviseur in het UCCA museum voor moderne kunsten in Peking. Het is gevestigd in de voormalige wapenfabriek 798 in de wijk Dashanzi. In die wijk exposeren en verkopen veel kunstenaars hun werk. De uitgebreide privécollectie van de Belgische kunstverzamelaars Guy en Mimi Ullens vormt de basis van het UCCA.

„We houden ons hier niet alleen bezig met hedendaagse kunst, maar ook met onderzoek en onderwijs. We bieden de huidige generatie kunstenaars de mogelijkheid werk te exposeren en zich verder te ontwikkelen”, zegt Cousseran. Volgens haar is de crisis duidelijk voelbaar. „Sinds de Olympische Spelen verkopen kunstenaars nauwelijks iets. Als reactie op de problemen zie je dat galerieën zich steeds meer specialiseren en dat jonge kunstenaars zich wel moeten verdiepen. Dat is de positieve kant ervan.”

Ook kunstkenner Brian Wallace wil liever de pluspunten van de crisis benadrukken. Wallace, van origine, was in 1991 de eerste buitenlander die een galerie opende in Peking. Nu vertegenwoordigt hij negentien kunstenaars.

Aan het begin van de jaren negentig maakte hij de opleving van de Chinese kunst van nabij mee, en waarschuwde voor de onvermijdelijke zeepbel. „Mensen raakten uitgekeken op ironische Mao-kunst en portretten van apathisch in de camera kijkende Chinese gezinnen.” Toch verbaast het ook Wallace hoe snel de markt is ingestort. Wallace is zelfs gedwongen een van zijn galerieën te sluiten.

Wallace: „Het is stil in de toeristische kunstenaarswijk 798. Galerieën kunnen de hoge huren niet meer betalen. Het aantal kunstenaars en tentoonstellingen is voor het komend jaar sterk afgenomen. Maar daar staat tegenover dat wat we nu op de markt brengen, echt vernieuwend is.” Wallace noemt Xie Guoping uit Chongqing en twee aanstormende Tibetaanse talenten. „Zij krijgen nu de tijd om te rijpen.”

Sui Jianguo is niet zo jong meer; hij is zich bewust van de beperkte tijd die hij nog heeft als beeldend kunstenaar. Op 25 december 2006, zijn vijftigste verjaardag, startte hij zijn project Ball Paint and Passage of Time. Hij besloot twee maal daags een stalen staaf in een pot blauwe peperdure verf te dopen. Na twee jaar is het speldenknopje blauwe verf aan de staaf uitgegroeid tot een massieve blauwe, peervormige ballon. Sui loopt naar een werkbank in zijn atelier en draait de ballon rond in de verf.

„Deze bal kan ik nooit verkopen omdat hij pas af is als ik dood ben. Met deze ogenschijnlijk simpele dagelijkse handeling wil ik uitdrukken dat een kunstwerk een continu proces van arbeid is, en toch ontstaat uit het niets. Ik wil de jonge generatie tonen dat ze zich moet realiseren dat er geen toekomst is en dat het resultaat nooit telt. Alleen wie met die paradox kan leven, creëert kunst met eeuwigheidswaarde. Zulke kunst overleeft elke financiële crisis.”