Armen twijfelen ook aan Chávez

Twee vrouwen wonen naast elkaar in een straat in Caracas, maar leven in ogenschijnlijk gescheiden werelden. De een zag haar leven onder Hugo Chávez verbeteren, de ander niet.

De voordeur is zwaar en heeft tralies, alsof het een ingang van een gevangenis is. Maar zij staat wel gewoon open. Alleen ’s avonds gaat het hangslot er op. Meteen sta je in de huiskamer van Ela Marrero, 57 jaar en een grote fan van president Hugo Chávez. Haar huis ligt aan Calle Cagigal, een geasfalteerde winkelstraat aan de voet van sloppenwijk Zero.

Snel zet Marrero een kom met soep op het tafeltje bedekt met een blauw zeil met druivenmotief. Een flesje Salsa Picante volgt. Een oude man met een indrukwekkende witte baard begint de soep naar binnen te werken. Zijn gezicht blijft net boven de kom hangen, onafgebroken, totdat hij alles op heeft.

Zo verdient Marrero een extra zakcentje, door in haar huiskamer op bepaalde dagen soep te serveren. Zij heeft kort donkerrood haar en draagt grote ronde oorbellen. Haar man werkt in de bouw. Zijn inkomen bedraagt 200 bolivar (omgerekend 73 euro ) per maand, terwijl zij met haar soep nog eens 300 bolivar binnenbrengt. En haar inwonende dochter heeft een salaris van 600 bolivar.

Zero ligt in een armlastige zone in Caracas waar voorheen de aanhangers van president Hugo Chávez altijd ruim in de meerderheid waren. Maar de afgelopen jaren is die dominantie afgenomen. Hier blijkt dat anti-Chávez sentimenten niet langer beperkt blijven tot de middenklasse en de rijken. De verdeeldheid over de president en zijn socialistische revolutie is ook onder de armen toegenomen.

Marrero kan dat alleen maar bevestigen. In haar huis is zij nog de enige die de president blijft steunen. „Mijn man, mijn kinderen, allemaal zijn ze tegen hem”, zegt zij. Voor haar kan Chávez echter niet kapot. „Voordat hij aan de macht kwam, was ons leven miserabel. Mijn man zat zonder werk, we wisten nooit of we het zouden redden.”

Kleine huisjes in de vorm van rode paddenstoelen met witte stippen hangen aan de muur in haar huiskamer. Boven het fornuis een groot schilderij van een fruitmand in felle kleuren. Om de haverklap komen er mensen binnenlopen. Haar tante, de buurman, een dochter, een neefje. Even buurten bij Ela.

Ongeveer dertig jaar geleden kwamen Marrero en haar familie hier wonen. Het land lag braak en zij bouwden er illegaal een huis. Zij zegt: „De regering heeft ons nu het eigendomsrecht gegeven. Dat zouden vorige regeringen nooit hebben gedaan. Die zagen de armen niet staan.”

Ondanks de sterk oplopende inflatie en teruglopende koopkracht, vindt Marrero het nu makkelijker om te overleven dan in het verleden. „De prijzen zijn wel gestegen, maar wij hebben meer geld. De regering heeft bovendien klinieken geopend waar we gratis terecht kunnen. Fantastisch toch?”

Het toegenomen geweld in de hoofdstad, een ander veelgehoorde klacht, speelt zich volgens haar vooral af binnen de sloppenwijken. „In onze straat is het rustig hoor”, bezweert Marrero.

Naast haar woont leeftijdgenoot Marisa Mendoza. Om naar het huis van deze buurvrouw te gaan, moet er eveneens eerst een zware ijzeren deur met tralies worden gepasseerd. Deze is overdag wel op slot. Daarna volgt een donker nat steegje. Een kale betonnen trap leidt vervolgens naar de verdieping van Mendoza.

„Dit land gaat naar de galgen met deze president”, zegt Mendoza als binnenkomer. „Het is hier levensgevaarlijk op straat. Wij komen hier de deur niet meer uit ’s avonds. Voordat je het weet, loop je tegen een verdwaalde kogel aan.”

Dan vertelt zij ook over het incident in de buurt dat deze maand plaatshad en de inwoners van Cararcas schokte. Een verkrachter die slachtoffers had gemaakt in de sloppenwijk was door de bewoners opgepakt en neergeknuppeld. Dood. Vervolgens hadden ze hem naar beneden gesleept, naar de straten met asfalt, en hem in brand gestoken. Omstanders legden alles vast met hun telefooncamera’s. „Dat krijg je als de politie niets doet. Die doen alleen iets als je ze extra geld geeft.”

Voor Venezolaanse begrippen hebben Mendoza en haar man het niet slecht. Gezamenlijk bedraagt hun inkomen uit pensioen 1.200 bolivar (omgerekend 443 euro), omdat ze beiden voor de overheid gewerkt hebben. Zij zegt: „Het is niet genoeg. Alles is hier duurder geworden en veel producten zoals melk of suiker, zijn vaak niet eens te krijgen. Nog nooit hebben we zoiets meegemaakt in dit land. We hebben net genoeg om eten te kopen, verder niets. Daarom verkoopt mijn man bier in het weekeinde op traditionele feesten. Dan kunnen we ook eens nieuwe kleren kopen.”

Nee, zegt Mendoza, de president is er niet voor de armen, zoals hijzelf graag wil doen geloven. Hij maakt volgens haar veel kabaal, maar doet uiteindelijk te weinig. „De gezondheidsklinieken die hier met veel bombarie zijn geopend bijvoorbeeld, dat is een mooi initiatief. Jammer dat ze altijd gesloten zijn. Wat heb je er aan?”

Pijnlijk is vooral, vindt Mendoza, dat de tolerantie en vrijheid van meningsuiting in de stad is afgenomen. „Als ze in de staatssupermarkten weten dat ik geen chavista (supporter van de president) ben, dan weigeren ze me regelmatig iets te verkopen. Dat is toch triest?”