Als 'ie maar geen loodgieter wordt

Zes van de tien kinderen gaan naar het beroepsonderwijs. Voor veel hoogopgeleide ouders is een vmbo-advies een schrikbeeld. Binnenkort worden de adviezen bekend. „Nu komt mijn lieve dochter tussen die rouwdouwers.”

In de omgeving van Julia Nagel (oud-gymnasiast bèta) krijgen alle kinderen minstens vwo-advies. Toen haar jongste kind een vmbo-advies kreeg, was dat even slikken. „In mijn familie zitten de kinderen al drie generaties lang op het gymnasium. Dat mijn zoon opeens vmbo ging doen, was ongelofelijk wennen voor mij. Het milieu, de omgangsvormen, de interessesfeer, alles was anders.” Nagel maakte zich zorgen of haar zoon, afkomstig van een buurtschooltje en beschermd opgevoed, zich in die onbekende wereld wel zou kunnen handhaven. „Maar hij paste zich aan zijn nieuwe vrienden aan en ging zelfs plat praten. De interesses van die jongens vond ik redelijk beperkt. Maar ik ben noodgedwongen uit mijn eigen comfortzone gekomen om zijn nieuwe wereld te leren kennen.”

Ook Brigitte Duynstee (neerlandica), moeder van drie kinderen van 14, 12 en 11 jaar, kent inmiddels de wereld van het vmbo. „Je hoopt natuurlijk dat je kind woest intelligent is. Toen onze oudste dyslectisch bleek, hebben we de koers langzaam steeds verder verlegd. Eerst dachten we: oké, jammer, vwo zit er niet in, dan maar havo, maar toen werd het vmbo.” Duynstee (50) geeft les aan de bovenbouw van het vwo, haar man is huisarts. „We vonden het vmbo vreselijk, met name vanwege het sociale aspect. Je hoort altijd verschrikkelijke verhalen, alhoewel dat misschien meer geldt voor vmbo’s in de Randstad dan hier in de provincie. Ik dacht: nu komt mijn lieve, zachtaardige dochter tussen al die rouwdouwers in een grof klimaat terecht. Maar toen we in groep 8 op zoek gingen naar een school, werden mij wel de ogen geopend. Eigenlijk wist ik er niks van. Vmbo’s zijn vaak een gezellig vergroot poppenhuis, met een kamer waarin je voor schoonheidsspecialist kunt oefenen, een kamer als een stukje ziekenhuis of een grote keuken – je zou er zo zelf aan de slag willen. We hebben gekozen voor een kleine categorale vmbo in Geldermalsen, een kunstzinnige school met veel aandacht voor normen en waarden en daar gaat het haar uitstekend.”

Onderzoek van het ministerie van OCW (Onderwijsmeter) wijst uit dat onbekend onbemind maakt. Zo krijgt het vmbo van kinderloze burgers een 5,9, terwijl ouders van vmbo-kinderen een 7,3 voor het beroepsonderwijs geven. „Die kinderloze burgers halen hun informatie vooral uit de media. Ouders oordelen vanuit hun directe ervaring met de school van hun kind”, zegt een woordvoerder van het ministerie van OCW.

Duynstee is inmiddels ervaringsdeskundige: ook haar tweede dochter gaat na de zomer naar het vmbo. „Uiteindelijk gaat het er natuurlijk om dat ze gelukkig zijn en goed terechtkomen en hun capaciteiten leren gebruiken. En er bestaat ook zoiets als laatbloeiers. Een van mijn broers is begonnen op de groenschool en uiteindelijk via de havo en de lerarenopleiding aan de universiteit afgestudeerd in zowel wiskunde als filosofie. Allebei mijn dochters zijn dan wel dyslectisch, maar zéér talig. Zo heeft de tweede net de voorleeswedstrijd op school gewonnen, want haar gevoel voor drama is prima en de flair heeft ze ook. Maar vraag haar niet iets te spellen. Misschien zit er gewoon niet meer in, dan zijn ze anders, maar zeker niet minder.”

Toch blijft voor Duynstee het niveau van het vmbo een punt van zorg. „Als ik bijvoorbeeld onze oudste iets overhoor, vind ik de stof erg oppervlakkig en vind ik bovendien dat ze het slecht kent, maar dan haalt ze een acht en heeft ze het goed gedaan. Daarnaast kan ik kritiek hebben op het soort boeken, tijdschriften, gespreksonderwerpen en roddels dat een grote rol speelt in haar schoolleven. Omdat ze op hockey zit, heeft ze trouwens ook vriendinnen buiten school, die doen allemaal vwo. Dat levert geen problemen op.”

Volgens de woordvoerder van het ministerie van OCW is het onterecht dat het vmbo een imagoprobleem heeft. „Het Nederlands beroepsonderwijs staat voor een omvangrijke maatschappelijke opdracht. Onderwijs dat dicht bij de praktijk staat en jongeren aanspreekt op discipline en vakmanschap is goud waard. Zonder het vmbo en het mbo staat Nederland gewoon stil. We hebben een arbeidsmarkt die hoge eisen stelt aan vakmensen. Tegelijkertijd is het tekort aan goed opgeleid personeel in Nederland sinds de jaren zeventig niet zo hoog geweest.”

Ook de oogarts en de advocaat hebben een loodgieter nodig, en een kraamhulp, en een tegelzetter en een stewardess – maar toch liever een uit andermans nest. Dat was ook de ervaring van Nagel. „‘Goh, leuk zeg, dat je zoon naar de kokschool gaat’, zei men tegen mij. Ik ben altijd achter mijn zoon blijven staan, maar ook eerlijk geweest als ze zoiets tegen me zeiden: ‘Ik weet niet of jij het zelf zo leuk had gevonden als het je eigen kind betrof.’ Uiteindelijk heeft Boris een mooi vak geleerd door hard te werken. Daarnaast is hij sociaal vaardig geworden. Ook worden deze leerlingen beter voorbereid op het echte leven dan de prinsjes en de prinsesjes uit de Amsterdamse grachtengordel die gymnasium doen, zoals mijn oudste. Ik ben reuzetrots op hoe hij het allemaal heeft gedaan.”

Corine Korrel, zelfstandig ondernemer en moeder van vier kinderen, van wie een op het vmbo zit, zag op televisie een uitzending van NOVA waarin „het beroepsonderwijs werd afgebrand”. Dat maakte haar zo boos dat ze besloot een project op te zetten om de toekomstige vaklui in contact te brengen met werkgevers en toekomstige collega’s. Volgens Korrel heeft een vmbo’er doorgaans niet het netwerk van een vwo-leerling. ‘Delft On Stage’ heet het project. „Ondernemers èn consumenten klagen over het gebrek aan goed opgeleid personeel. Doel van On Stage is dat de leerling zich vanaf de brugklas oriënteert op alle beroepen tussen automonteur en notaris in. Ik nodig ook artsen en advocaten uit, die zelf op de mavo zijn begonnen, de zogeheten stapelaars. Dat werkt stimulerend. In workshops leg ik leraren uit dat ook een vmbo’er dromen mag hebben. Sinds we in 2006 zijn begonnen, heb ik gemerkt dat de vooroordelen over het vmbo bij zowel ouders als professionals steeds een beetje kleiner worden. Maar er is nog een lange weg te gaan.”

Tegenwoordig zijn er instituten die kinderen uit groep acht voorbereiden op de Cito. HIP in Bilthoven van Mirjam Lensen bijvoorbeeld traint kinderen uit het hele land in acht sessies van anderhalf uur (kosten € 350) met als doel een Cito-score te halen die minimaal past bij het eigen leerniveau. Ouders rijden er desnoods twee uur voor heen en weer. Lensen, die zelf elf jaar voor de klas heeft gestaan in het basisonderwijs, is ouders tegengekomen die het woord vmbo „niet over hun lippen konden krijgen”. „Als ze zelf hoogopgeleid zijn, weten ze dat hun kind met een hoge opleiding meer keuzemogelijkheden heeft dan met vmbo. De teleurstelling is groter bij deze groep ouders, terwijl vmbo niets zegt over de geluksfactor van het kind zelf. Op ons instituut wordt veel huiswerkbegeleiding gegeven, ook aan kinderen die vmbo-advies kregen met een heel klein vraagtekentje achter havo. Van hun ouders moet het kind koste wat kost havo doen. Zo’n kind zit hier te blokken van twee tot zeven uur ’s avonds, maar het gaat gewoon niet, ook al is de motivatie en de concentratie daar. Het kind wordt ongelukkig en onzeker en krijgt huilbuien. Als we ouders proberen te overtuigen dat havo geen zin heeft en aanraden over te stappen naar vmbo, dan halen ze het kind bij ons weg en proberen ze hun geluk elders. Het is heel triest om te zien. Gelukkig zijn dit uitzonderingen.”

Op de basisschool van de kinderen van beeldend kunstenaar Tamar Rubinstein (46) hing een cartoon: twee onderwijzers in de lerarenkamer kijken hoe er een bijl door de deur wordt geslagen. ‘Die ouder heeft zeker een vmbo-advies voor zijn kind gekregen’, stond eronder. „Aan die tekening heb ik wel gedacht toen mijn eigen oudste een vmbo-advies kreeg”, zegt Rubinstein, moeder van een dochter van 15 en een zoon van 11. Ze deed het Barlaeus Gymnasium en ging daarna naar de Rietveld. Haar partner is jurist. „Wij waren wel even teleurgesteld, mijn man nog meer dan ik. Mijn dochter is wat ons betreft net zo’n kind als de kinderen van vrienden die nu wel op gymnasia zitten. Je verwacht toch dat je kinderen op je lijken. Grootste probleem vond ik dat de leuke vmbo’s in Amsterdam niet voor het oprapen liggen, het zijn bijna allemaal grote zwarte scholen met veel gelazer, metaaldetectorpoortjes voor de ingang enzovoort. Ik heb een keer bij zo’n school gekeken en werd al voor de deur verrot gescholden. Noa is een lief kind, zo’n klimaat wilden wij niet voor haar. Hoewel het geen Montessori-kind is, hebben we haar op het Montesorri Lyceum Amsterdam gedaan.”

Anneke van Dijk werkt voor 5010, de informatie- en adviesdienst voor ouders over onderwijs. „Hoogopgeleide ouders schrikken echt van een vmbo-advies. Vmbo’s in de grote steden worden steeds zwarter. In mijn woonplaats Rotterdam kiezen ouders als ze de kans krijgen voor een vmbo in Krimpen of Capelle aan den IJssel. Ook zie je dat de traditionele vernieuwingsscholen zoals Dalton, Montessori, Jenaplan en Vrije School over het algemeen aanzienlijk minder zwarte kinderen trekken. Vandaar dat autochtone ouders vaak kiezen voor een vmbo in die hoek. Maar ook allochtone ouders kiezen steeds vaker voor de buitenwijken.”

Teleurgestelde ouders laten hun kinderen soms opnieuw testen bij een commercieel bureau, zegt Anneke van Dijk. Dat heeft volgens haar weinig zin, omdat het voortgezet onderwijs meestal het advies van de basisschool en de Cito-score aanhoudt. „Ouders kunnen beter aan de school waar ze het kind op willen hebben vragen hun kind nog eens te bekijken, althans als daar aanleiding voor is. Want ouders willen vaak te veel en kunnen maar moeilijk accepteren dat het minder vlot gaat dan gehoopt. Als ze duidelijk uitdragen dat het kind te laag is ingeschat, zadelen ze het kind op met een negatief beeld van zichzelf. Wie zegt dat het kind niet zijn best heeft gedaan?”

Ook extra oefenen voor de Cito-toets is volgens haar niet zinnig. „Als kinderen op een middelbare school terechtkomen die boven hun niveau is, komen ze alsnog in de problemen. Ouders willen veel, maar vergeten nogal eens te kijken naar wat hun kind kan en waar het op zijn plaats is, en dat is wel waar het om gaat.”

De dochter van kunstenaar Rubinstein doet dit jaar eindexamen. „Gelukkig weet ze nog niet wat ze wil worden, ze wil door naar de havo.” Rubinstein had haar kinderen een leuke schooltijd gegund „met een brede opleiding die hun leert naar kunst en cultuur te kijken” en een studietijd. „Als mijn tweede ook een vmbo’er zal worden, ga ik me wel afvragen wat we verkeerd hebben gedaan in de opvoeding. Er komt ook een traditie-element bij kijken, ik zou het leuk vinden als er in ieder geval eentje naar het Barlaeus ging. Maar ik zie wel in dat mijn dochter andere dingen leuk vindt, kletsen met vriendinnen en de stad ingaan. Ach, je weet nooit hoe het loopt. Mijn broer heeft de mavo voortijdig verlaten toen hij een baan kon krijgen en heeft nu een succesvol, mooi bedrijf.”

Corine Korrel hoopt „dat het moment komt waarop men zich gaat schamen om scepsis over dit schooltype uit te spreken”. Toch zullen er volgens haar altijd ouders blijven die niet op de golfclub durven te zeggen dat hun kind vmbo doet. „Maar wie maakt hun kapotte wasmachine? En zijn de aardigste artsen niet diegenen die op de mavo zijn begonnen? Van mij mag je alles worden, behalve ongelukkig.”