'Alles is verslechterd'

In zijn nieuwste boek blikt Kees van Kooten terug op zijn favoriete jaren ’50. En hij maakt zich zorgen over de houdbaarheidsdatum van een satiricus. „Het gevoel voor humor wordt er niet beter op.”

Snotterend opent Kees van Kooten (67) de dikke, bijna negentig jaar oude voordeur van het appartementencomplex in Amsterdam Oud-Zuid. Af en toe klinkt er een stevige hoest. De wintergriep is dit jaar venijniger dan ooit, vertelt hij. Het komt, zo vermoedt hij, door het rookverbod. Alle rokers staan deze winter voor het eerst, meestal zonder jas, buiten te walmen en lopen zo een hoogst besmettelijke verkoudheid op, denkt Van Kooten die zelf vijftien jaar terug stopte met paffen.

Twee jaar geleden zijn de Van Kootens vanuit het hart van de hoofdstad verhuisd naar deze chique, gerenoveerde hoek van Amsterdam. „In het centrum werd het namelijk ook niet stiller en schoner”, merkt hij op. Barbara Kits, de vrouw met wie hij al zo’n vijfenveertig jaar verkering heeft, schenkt koffie en trakteert op walnotentaart.

In de smetteloze, geordende woonkamer staat in de hoek een box voor de veertien maanden oude kleindochter Kee Molly, tweede kind van dochter Kim. En achter de tafel waaraan Van Kooten gaat zitten hangt een muurvullend schilderij van de Amsterdams-Limburgse kunstschilder Ger Lataster.

Hoe leg ik, om te beginnen, de jonge NRC-lezers uit wie de op 10 augustus 1941 te ’s Gravenhage geboren Cornelis Reinier van Kooten is?

„Ja dat wordt een probleem. Nou ja, het is iemand die samen met zijn boezemvriend Wim de Bie het geluk heeft gehad bij de televisie te komen toen het daar nog leuk was. Toen het nog een eer was om op tv te komen en je dus ontzettend je best deed. Ze werkten in een gezegend landschap. Bij een omroep (VPRO, red.) waar nog heren aan het hoofd zaten die belezen waren, die smaak hadden en een vaderrol vervulden: Jan Blokker, Arie Kleijwegt, Roelof Kiers. Mannen die soms ook vijfentwintig jaar bleven zitten bij zo’n omroep want flitsmanagers bestonden nog niet. En dat gaf een geweldige sfeer waaruit heel veel is voortgekomen.”

Als directie van het Simplisties Verbond en als de redactie van Keek op de Week werkte het duo in ontelbare gedaantes ruim dertig jaar voor de VPRO-televisie. ‘Koot & Bie’ golden als „de komische keuringsdienst van waren” en het „geweten van links”. Het programma had kijkcijfers van 600.000 tot soms 2,5 miljoen. Op zondagavond 22 maart 1998, stopte het duo op initiatief van Van Kooten met televisiewerk. „Ik wil mijn hoofd opruimen, en dat zal wel een tijdje gaan duren, want het is een ongelooflijke bende daar bovenin”, verklaarde hij.

Welke vreselijke bende moest u nu precies opruimen?

„We werden ouder, bijna zestig, en het was fysiek behoorlijk slopend. Veel items per week. Het werd bij mij een rommel. Ik haalde onderwerpen door elkaar. Of we wilden dingen gaan doen die we zeven jaar geleden al net zo hadden behandeld. Actualiteit is een cyclisch gebeuren.

In januari 1998 kreeg ik een burn-out, een klassieke huilaanval. Omdat ik geen parkeervergunning had, moest ik het hele seizoen steeds van huis op en neer fietsen naar een drijvende parkeergarage in het IJ, altijd met een grote koffer vol spullen, colbertjes en overhemden. En dan ’s nachts, met de lijm nog in mijn haar van de overdag opgenomen scène, weer iets nieuws maken. Het was een periode van wintergriep en toch stond ik ’s ochtends weer om 6 uur op. Maar toen ik wederom met die koffer voor de buitendeur stond, stortte ik in. Ik zei tegen Barbara: ‘ik kan het niet meer, ik schei ermee uit’. Toen dat besluit eenmaal was genomen heb ik het nog tot maart weten vol te houden en zijn we definitief gestopt.”

Ging dat eenvoudig?

„Ik had wel afkickverschijnselen. Ik droom nog regelmatig dat we morgen een uitzending hebben en we hebben nog niks. Maar ja, dat is net zoals dromen dat je in dienst zit en ze zijn mijn afzwaaidatum vergeten of dat ik morgen eindexamen heb en ik moet nog zestien vakken doen.”

Bleef u niet verslaafd aan het volgen en willen becommentariëren van de actualiteit?

„Ja, maar je leest oppervlakkiger. Wim en ik bellen elkaar nog regelmatig en dan nemen we de boel even door. Bijvoorbeeld met die bankencrisis in IJsland. Dan is het al voldoende als we tegen elkaar kunnen zeggen dat wethouder Hekking van de gemeente Juinen drie miljoen euro geparkeerd heeft in Reykjavik. Hij gaat er naartoe met burgemeester Van der Vaart en Hekking schuift dan klappertandend in beeld om te zeggen dat hij het geld zal terugvorderen. Daar moeten we dan tien minuten om lachen en dan zijn we tegelijk ook weer opgelucht dat we zo’n excursie niet hoeven te ondernemen.

„Nu kan ik al schrijvend, in grotere stukken, mijn ergernis kwijt. Zonder deadline. Zoals een verhaal over de wanschapenheid van oranje. Dan koppel ik de verloedering en de oppervlakkigheid aan de opmars van de kleur oranje. Aan het oranje van de ING, de viltstifttinten, de regenpakkleuren. Het is opmerkelijk hoe alles harder moet en ook het geluid penetranter wordt. Men kiest nu niet meer voor de lekkerste of gezondste patates frites maar voor de meest luidruchtige. Aan zo’n stuk kan ik maanden werken want dat staat voor iets.”

Ruim tien jaar later is de enorme nationale bekendheid verdampt. In de verhalenbundel Tijdloos Ouderwets, die komende week verschijnt, schrijft Van Kooten hierover. „Dat de mond van een twintigjarige niet langer openvalt van verbazing wanneer hij mij in het openbaar tegenkomt kan ik mij heel goed voorstellen en daar valt mee te leven.” Maar het is kwetsend als baliefunctionarissen van zijn leeftijd hem vragen of ze van Kooten met twee o’s moeten schrijven. „Nasmeulende ijdelheid”, noemt Van Kooten dit verschijnsel.

Hebt u daar echt last van?

„Ja, zo vertekent de roem het zelfbeeld. En ik vind het ook zonder meer leuk als nu nog iemand zegt: ‘ach, dag meneer Van Kooten’. Het streelt bovendien je eerbiedwaardige leeftijd als ze ‘meneer’ zeggen. Daar ben ik zeer tevreden mee. Dan is mijn dag goed. Of het nou bij de brievenbus is of bij de bakker, een oude vrouw of een jong meisje, dat doet er niet toe. Ik vind het leuk als de dank er nog is. Als ze zeggen: ‘ik heb jullie programma hartstikke leuk gevonden’. Daar gaat het alleen maar om. Je moet het voor iemand of iets doen.”

U woont hier naast een middelbare school. Hangen de scholieren brullend uit de ramen als Koot langs loopt?

„Neen, die kinderen kennen me niet meer. Maar ik was laatst op verzoek van TV West op bezoek bij onze oude school, het Daltonlyceum in Den Haag. En daar kwamen toch jongens in de hal naar me toe die meteen stukken van onze langspeelplaten konden navertellen.”

De sketch waarin de potente Koot vertelt hoe hij een volwassen vent in één keer zo van zijn brommer kon spuiten?

„Bijvoorbeeld. Ha,ha. Kijk het doet me al zeer veel goed als iemand zo’n zinnetje letterlijk weet te produceren.”

Op de cover van het nieuwe boek van Van Kooten staat een afbeelding van de naakte, welgevormde Lorraine Burnette. Het Engelse fotomodel was jarenlang zijn „favoriete nattedroomvrouw”. Het is een foto uit de jaren vijftig, het allesbeheersende tijdsgewricht van de romanticus uit Den Haag. Een tijd waarin het leven nog overzichtelijk was en mensen wellevend en welbespraakt waren.

„Toen er nog voorpret bestond omdat er bijvoorbeeld werd gespaard voor een wasmachine.” En grote tieten waren nog siliconenvrij. „Toen gold: ‘everything you see I owe to spaghetti’ zoals Sophia Loren altijd zei.”

Onaneren was, zonder internet, nog een hele klus. „Tegenwoordig kunnen jongens comfortabel masturberen. Met hun duizelingwekkende hulpmiddelen, die wij allemaal ontbeerden toen ik zo oud was als de hele jeugd van nu.”

Burnette was de eigen, anonieme pornoster van Kees van Kooten maar door het wereldwijde web is alles anders geworden. „Het internet heeft ons een onafzienbare schatkamer vol wereldbeelden van alle tijden opgeleverd, maar tegelijkertijd heeft het de geheimen die wij altijd als enigen dachten te koesteren, publiekelijk te grabbel gegooid.”

In 1995 voorspelde u in het weekblad Humo dat internet „een mode is die geen lang leven beschoren zal zijn. De bodem is er nu al uitgevallen.” Hoezo?

„Zei ik dat? Wat een arrogantie zeg. Dat heb ik vast verteld uit angst, omdat ik het niet bij kon houden en niet wist hoe ik ermee om moest gaan. Ik ben nu eenmaal heel ouderwets wat dat betreft.”

Internet is toch ook erg fijn, alle informatie binnen handbereik?

„Maar geloof je het altijd? Ik ben van de zwart-op-wit generatie. Ik geloof pas iets als ik het ook heb weten te vinden in de Winkler Prins. Internet is vaak onbetrouwbaar.”

Een vraaggesprek met Kees van Kooten heeft af en toe iets van een privévoorstelling. Dan beent hij opeens naar de boekenkast en leest hij, met potlood van commentaar voorziene passages („applausjes voor de schrijver”) van Simon Gray voor. De Engelse toneelschrijver beschreef in zijn laatste boek Coda zijn naderende dood. „Over een jaar of tien zal blijken dat dit een nieuw literair genre is: het verslag van het eigen einde. Martin Bril is daar ook op een adembenemende manier mee bezig.”

Halverwege het interview gaat hij in een hoek van de kamer staan en geeft een treffende imitatie van Toon Hermans. De in 2000 overleden Limburgse cabaretier komt ter sprake als Van Kooten praat over het schrikbeeld van de oude humorist. Het is een thema dat hem nadrukkelijk bezighoudt: de houdbaarheidsdatum van een satiricus.

„Ik had Toon Hermans heel hoog zitten maar op een gegeven moment heeft hij, meen ik, net zoals The Mounties met een Beatle-pruik op parodistisch yeah yeah yeah staan zingen. En ik schrok ook heel erg toen ik zag hoe Freek de Jonge vorig jaar, in zijn sportmonoloog De Limiet, vijftig jaar na Wim Kan met zijn lied Hoger Jan – waarbij de oude meester een pop van minister-president Jan de Quay op zijn schouders rond droeg – hetzelfde deed met een pop van Ankie van Grunsven met De Jonge in de rol van Salinero. Tja, dan kijk je toch naar een paard van boven de zestig.

„Maar de allergrootste en de allerleukste was Wim Kan. Door hem vielen we onder de tafel van het lachen. Ik zeg dit omdat ik het jammer vind dat niemand over zijn rol op onze vorig jaar uitgebrachte thema-dvd ‘Dames Heren ook!’ heeft geschreven.’’

Op die dvd, uitgebracht in de serie hoogtepunten van Van Kooten & De Bie staan twee filmpjes die het duo in 1982 samen met de toen 71-jarige cabaretier Wim Kan maakte om leden te werven voor de VPRO. Kan speelt plv. directeur-generaal drs. B.J. van Puthoven van het cultuurministerie CRM („We zijn het drukste departement”). De twee komieken bezoeken de dwarsverstrooide hoge ambtenaar om hem te vragen hoe lang ze van de Omroepwet nou eigenlijk reclame mogen maken. „Wat Kan dan doet is onvoorstelbaar goed. Die scène kan ik honderd keer terugkijken.”

Dank zij het internet is een groot deel van het werk van Van Kooten & De Bie via YouTube te zien. Maar niet alle kijkers lijken de ironie van de oude typetjes te doorgronden. Een filmpje waarin de wellevende Turk Mehmet Pamuk (Kees van Kooten) de winkel van ‘groentenist’ Henk Blok (Wim de Bie) bezoekt om boerenkool te kopen, is ruim 158.000 keer bekeken. „U verkoopt groenten die qua versheid en hygiëne de toets der kritiek kunnen doorstaan”, zegt Pamuk. „Wat gaan we vanavond doen voor buikie?”, wil de kromsprekende Blok weten.

Als commentaar op het filmpje hebben meer dan vierhonderd kijkers een reactie geformuleerd. Turken en Nederlanders vliegen elkaar in de haren over de bedoelingen van de tv-makers. Het is schelden over en weer. Van Kooten zegt de reacties nooit te hebben gezien maar het verbaast hem niets.

„Mensen willen steeds meer hekelen en onthoofden. Het is een krankzinnige kippenren. Die ontevredenheid en dat mopperen is voor mij ook nog een illustratie van het feit dat het gevoel voor humor er niet beter op wordt. Vroeger was de hoogste kwalificatie voor een cabaretier of een commentator op de radio dat iemand ad rem was. Zoals Godfried Bomans in Hou je aan je woord of Joop van Tijn in Welingelichte Kringen. Dat begrip gevatheid is geheel gekanteld. Nu heet het dat Paul de Leeuw wel een beetje grof is maar, zeggen de mensen: ‘hij is wel ad rem hoor’. Dat betekent nu: niet gehinderd door enige kennis van zaken of wellevendheid er álles uitflappen dat je voor de bek komt. Daarin is de mens óók weer achteruit gegaan. Alleen zien sommige mensen dat juist als een vóóruitgang: ‘hij is zo snel joh, meteen hup er bovenop!’ En dat is dan in negen van de tien gevallen een seksueel getinte opmerking. Bah. Daar is de zaak toch van doordrenkt? Daar ben ik dan toch geen rechtse lul in die zegt dat vroeger alles beter was? Waar is die kinderachtige overseksualisering toch begonnen? Dat moet toch een keer ophouden denk je.”

Een van de opvallendste rollen van Van Kooten & De Bie was die van het duo Jacobse & Van Es. Twee Hagenezen die met hun Tegenpartij en het partijprogramma Rug Op ’81 opkwamen voor de „vrije jongens” en zich keerden tegen „rare etensluchtjes”. De Tegenpartij deinsde er niet voor terug het „heet hangtaboe van de buitenlanders” aan te snijden. Door hun parodie was het jarenlang onmogelijk serieus te kijken naar de originele extreemrechtse voormannen als Hans Janmaat en Joop Glimmerveen.

Wat zou het effect zijn geweest als Van Kooten & De Bie nu wekelijks Geert Wilders en Rita Verdonk hadden kunnen parodiëren?

„Ach, ook in die zin is alles verslechterd. Verdonk en Wilders maken toch een figuur van zichzelf dat al zo bol staat van de enormiteiten dat een parodie haast niet meer mogelijk is. Ze zijn zo leeg, spreken in zulke oninteressante zinnen dat je de taal niet eens meer op de hak kunt nemen. En wat ook nog een probleem zou zijn als wij het bij de VPRO hadden gedaan, dan had het alleen opluchting bij gelijkgestemden opgeleverd. Maar de mensen die eigenlijk daarna met nieuwe ogen naar Verdonk en Wilders zouden moeten kijken, zien ons programma toch niet. Dat is het probleem van al die satire. Het zou te zeer voor de hand hebben gelegen. Dan hadden we iets heel anders moeten bedenken en misschien met een buitengewoon geestige iman moeten komen, om maar iets te zeggen.”

Jullie zouden het verwijt hebben gekregen als voormannen van de linkse kerk politiek correct te zijn en op al die mopperwebsites zouden jullie verrot zijn gescholden?

„Ja, tegenwoordig is alles wit of zwart. In die zin voel ik ook meteen een zekere vermoeidheid over het volgen van de werkelijkheid en het idee dat je elke week weer commentaar zou moeten geven. Maar ik denk niet dat we laf zouden zijn geworden. We hebben altijd openhartig gezegd wat we vonden. We zouden geen bange mannen zijn geworden. Dat weet ik wel zeker.”

Is de transformatie van satiricus tot politicus en lijstduwer van de Partij voor de Dieren bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 2006 eigenlijk bevallen?

„Kijk, mensen zijn het kennelijk gewoon gaan vinden dat ze in de file naar de vrachtwagen kijken waar duizend varkensneuzen tussen de spijlen doorpiepen. Mijn zoon Kasper heeft er in zijn nieuwe theaterprogramma een prachtig stuk over en zegt: in de file staan is erg maar als slachtvee in de file staan is echt onmenselijk. Daar moet toch echt een extra strook voor komen.

Het punt is dat totdat die Partij voor de Dieren er kwam, het dierenwelzijn bij geen enkele politieke partij een issue was. Nu hebben ze twee zetels en raken andere politici ook begaan met de dieren. Dat heeft de partij toch maar mooi bereikt. En dat hoopte ik, en met mij Mensje van Keulen, Jan Wolkers en Harry Mulisch die ook lijstduwer werden.

Toch stopten Maarten ’t Hart en Rudy Kousbroek met duwen toen bleek dat de lijsttrekster Marianne Thieme een Zevendedagadventiste is?

„Ja, dat wist ik ook niet en daar keek ik wel flink van op. Ik ga me er nu ook verder niet meer in verdiepen. Ik ga niet nog eens lijstduwer zijn. Het doel is bereikt en nu moeten ze het verder zelf maar doen. Ik heb wel andere doelen aan mijn hoofd. Het is natuurlijk vreemd dat die vermenging er is, maar zolang Marianne haar religieuze overtuiging niet laat meespelen in haar Kameroptreden is er niks aan de hand.”

Maar, zegt Van Kooten, er is geen enkele reden schamper te doen over de strijd tegen dierenleed. „Ik vind het irritant als mensen zeggen dat de Dierenpartij truitjes wil breien voor de zeehondjes. Of dat de A58 niet kan worden verbreed omdat het graasgebied van de geelzwartgestreepte langpootsalamander zonodig moet worden beschermd. Aan dat soort cynisme heb ik een ongelooflijke hekel.

„Of dat mensen hardop zeggen principieel nooit varkensvlees te eten. Als je dan vraagt waarom niet, hebben ze geen sluitend antwoord. Joden niet, moslims niet en christenen evenmin. ‘Omdat dit in het grote boek staat.’ Maar waarom staat dit dan in het grote boek? ‘Omdat de profeet dit gezegd heeft.’

Kijk, diep in ons hart weten wij heel goed dat vlees eten verwerpelijk is en daarom hebben zogenaamd weldenkende mensen het niet eten van dat arme, onreine varken als excuus genomen om de rest van die weerzinwekkende berg geslachte runderen, pluimvee en gevogelte, ongehinderd door een slecht geweten, gewoon te kunnen blijven eten.”