Aangeboren slecht 6

Recent lijkt naar aanleiding van zijn artikel in Delikt en Delinkwent de oud-criminoloog Buikhuisen na ruim twee decennia weer (enigszins) terug van weggeweest. De toonzetting daaromheen neigt naar herwaardering, zo geen revisionisme. Vandaar enkele contextuele kanttekeningen.Buikhuisens benoeming en installatie in 1978-1979 als hoogleraar criminologie te Leiden riep veel commotie op, van positief kritisch tot sterk afwijzend. Onder zijn vakgenoten werd dat destijds aldus verwoord: `zijn ideeën zijn de moeite waard` (Van Weringh) versus `criminologie per injectiespuit` (Dessaur). Journalistiek werden deze waarderingen verwoord door Piet Vroon (De Volkskrant) resp. Piet Grijs (Vrij Nederland). Een discussie die bovendien ook politiek verwoord werd tijdens twee Kamerinterpellaties in deze periode. Dit maatschappelijk debat richtte zich kort gezegd op de inhoud en opzet van de door Buikhuisen als zodanig in 1977 geïntroduceerde `integrale` of `sociobiologische criminologie`; in reactie op bovenstaande commotie in zijn oratie van 1979 omgedoopt tot `biosociale criminologie`. Een belangrijke taak voor deze nieuwe `gedragsleer` was het vinden van een `nieuw evenwicht tussen biologische en sociale factoren`: de (potentiële) crimineel is niet alleen een persoon in een omgeving, maar hij of zij heeft ook een lichaam. Centrale rol speelt dan het zogeheten activatieniveau van het autonome zenuwsstelsel. Is dat laag, dan neemt ruwweg genomen een persoon risico`s, is niet bang en hij of zij is daardoor op termijn mogelijk crimineel. Is dat hoog, dan geldt het omgekeerde. Maar in het kader van deze integrale criminologie richt de aandacht zich met name op het zenuw- en hormonenstelsel in interactie met een veelvoud van sociale factoren. Daarvoor moest bij onderzoek en analyse een formule of schema gehanteerd worden, waartegen het huidige elektronische patiëntendossier als een eenvoudig lijstje afsteekt. Een methodologisch doolhof waarin uiteindelijk Buikhuisen, zijn aanhangers, alsmede zijn opponenten verdwaald zijn geraakt. Natuurlijk was en is er, los van Buikhuisen, biosociaal getint onderzoek, zoals bij voorbeeld destijds te Leiden zelf bij klinische neurofysiologie of thans bij het VU Medisch Centrum/Jeugdpsychiatrie Duivendrecht. In het laatste geval gaat het om onderzoek naar HALT-jongeren in relatie tot stressgehalte, leren en recidive (NRC, 16 oktober 2006). Het verschil is dat deze (toenmalige) Leidse en Amsterdamse onderzoekers hun werk presenteren als een weg naar Rome en dat Buikhuisen zich als Rome voorstelde. Zij het met de volgende mantra: `gegeven de predisponerende factoren A, B en C, de aanwezigheid van de faciliterende factoren d, e en f en de afwezigheid van de inhiberende factoren g en h, dan zal de kans dat zich een bepaald gedrag voor doet p zijn` (W. Buikhuisen, Kriminologie in biosociaalperspectief, 1979, pp. 22-23). Betrek p op de voetbalcompetitie. Hoe hoger op de ranglijst, des te lager het activatieniveau: men is niet bang om te pingelen. Hoe lager qua competitiestand, des te hoger het activatieniveau: men is bang om te pingelen. Dat is biosociaal al tijden zo.