Zelfironie en telefonie bij Daniel Kehlmann

Daniel Kehlmann: Ruhm. Rowohlt, 204 blz. € 19,40 Een Nederlandse vertaling door Jacq Vogelaar (Roem) verschijnt op 26 februari bij Querido

Drie Duitstalige schrijvers springen er de laatste jaren internationaal bovenuit: Daniel Kehlmann, Bernhard Schlink en Pascal Mercier. Ze halen miljoenenoplagen. Ook in literair-technisch opzicht zijn er overeenkomsten, die ongetwijfeld met hun populariteit samenhangen. Ze schrijven smeuïg en spannend, wars van experimenten, hun thematiek is voor iedereen herkenbaar. De Duitse en internationale kritiek is niet altijd goed te spreken over hun werk; met name Bernhard Schlink en Pascal Mercier hebben honende kritiek moeten incasseren. Slechts één roman van het drietal heeft op mij een diepere indruk gemaakt: Bernhard Schlinks De voorlezer.

Toch is niet Schlink het grootste talent van het drietal. Die eer komt, ook gelet op zijn leeftijd, de Oostenrijker Daniel Kehlmann (1975) toe. Een wonderkind, want hij heeft al tien boektitels op zijn naam staan. Zijn internationale doorbraak vormde de roman Het meten van de wereld waarin hij twee beroemdheden uit Duitsland anno 1800 tegenover elkaar zet: ontdekkingsreiziger en natuurvorser Alexander von Humboldt en kamergeleerde en ‘vorst der wiskundigen’ Carl Friedrich Gauss.

Kehlmanns handelsmerk is het snelle verteltempo en de (karikaturale) humor. Anderzijds beeldt hij zijn figuren erg zwart-wit af en ze missen diepgang; ze lijken op stripfiguren. Een nieuw thema snijdt Kehlmann aan in zijn jongste roman Ruhm. Deze ‘roman in negen verhalen’, aldus de ondertitel, begint spectaculair. Een kleurloze computertechnicus schaft zich een mobiele telefoon aan, maar door een fout bij de centrale krijgt hij het nummer van een ander: een wereldberoemde filmacteur. Prompt ontvangt hij telefoontjes van zwijmelende fans en gewichtig doenerige bioscoopautoriteiten. Eerst probeert hij het misverstand op te lossen, maar al spoedig krijgt hij plezier in zijn nieuwe rol en begint er op los te fantaseren. Hij kruipt in de huid van de filmster en ontdekt nooit vermoede eigenschappen. Zijn leven verandert op slag en door ‘toeval’ – het laatste is een sleutelwoord binnen de roman.

Iets later komen we de filmster zelf tegen, wiens leven ook is veranderd. De telefoontjes zijn plotseling uitgebleven, misschien niet eens tegen zijn zin; hij lijkt genoeg te hebben van de beslommeringen van de roem. De acteur ontmoet zijn evenbeeld, iemand die hem bij dubbelgangerswedstrijden succesvol nabootst. Met deze man wisselt hij van rol, hij wordt de imitator van zichzelf.

Over schijn en werkelijkheid, feiten en fictie gaat het ook in de overige episoden van de roman. Telkens vervagen de grenzen tussen waarheid en leugen, en bijna niemand van de personages weet ‘wie ik precies was en in welk doolhof ik de weg kwijt was’. Kehlmanns spelletjes met de identiteit en dubbelgangersrol doen in de verte aan een beroemde voorganger denken: Max Frisch en zijn roman Mein Name sei Gantenbein(1964), waarin de vaak geciteerde zin voorkomt: ‘Ich probiere Geschichten an wie Kleider.’

Frisch’ diepgang en psychologische subtiliteiten ontbreken volledig bij Kehlmann. Hij vertelt in een razend tempo, de handelingen volgen elkaar vliegensvlug op. Maar dat heeft een groot nadeel: er staat weinig tussen de regels, deze schrijver heeft geen gevoel voor tussentonen. Een ander bezwaar is dat Kehlmann geen karakters ontwerpt maar uitsluitend typetjes. Zijn figuren zijn nauwelijks levensecht, ze laten je onberoerd.

Daar staat tegenover dat Kehlmann de diverse verhaaldraden van Ruhm ingenieus met elkaar weet te verbinden. Later in de roman wordt de persoon geïntroduceerd die verantwoordelijk is voor de telefonische misverstanden, en zelfironisch voert Kehlmann een schrijvend alter-ego op (‘een halfgod’), die over zijn personages naar willekeur beschikt. Gags en dubbele bodems genoeg, evenals flitsende dialogen. Kehlmanns liefhebbers zullen er weer volop van genieten.