Wie geeft er om de kip? Ik, ik!

Pas na Darwin konden wij echt naar dieren kijken, betoogt Rudy Kousbroek in zijn nieuwe boek. Maar de manier waarop hij zijn liefde betuigt, gaat over meer dan wetenschappelijke verwondering.

Rudy Kousbroek: Medereizigers. Over de liefde tussen mensen en dieren. Augustus, 191 blz. € 17,90

Bij Rudy Kousbroek thuis hadden ze een tamme beer. Dat was op Sumatra, waar Kousbroek opgroeide, niet eens zo ongebruikelijk. Maleise beren, te herkennen aan hun witte of gele vlek op de borst en hun gele snuit, kwamen veel voor op het eiland en werden vaak als huisdieren gehouden. In huize Kousbroek slenterde Thor, zoals Rudy’s vader de beer genoemd had, rustig door de kamers rond, ook door de kinderkamer. En elke dag kreeg hij bij de lunch een lepel Venz’ Gouden Stroop. Het enige nadeel was dat Thor veel rotzooi maakte in huis. Maleise beren zijn erg nieuwsgierig, dus alle kasten werden grondig onderzocht.

Je ziet het meteen voor je, zoals Kousbroek deze jeugdherinneringen beschrijft in zijn boek over de liefde tussen mensen en dieren, Medereizigers: hoe de jonge Rudy hand in hand liep met de beer, die toen ongeveer van zijn lengte was, zijn ‘substituut broertje’. Hoe de beer de auto van de familie wist binnen te komen en achter het stuur ging zitten, tevreden brommend. Maar Maleise beren staan erom bekend dat ze, hoe tam ze aanvankelijk ook zijn, op een gegeven moment hun aanhankelijkheid verliezen. Ze worden onverschillig en zijn niet meer te handhaven. Op een dag vertelde vader Kousbroek aan zijn zoon dat Thor naar de dierentuin was gebracht. De jongen barstte in snikken uit.

Deze emotionele omgang met dieren heeft Kousbroek nooit verloren, zoveel wordt wel duidelijk uit Medereizigers. Hoewel zijn huisdieren hier in Nederland aanzienlijk minder exotisch zijn, schrijft hij nog steeds vol kinderlijk enthousiasme en empathie over dieren, of het nu gaat over zijn katten, zijn kip, of over waargenomen dierengedrag uit boeken en foto’s.

Kousbroek houdt passioneel van dieren, en het is leuk om te merken hoe de essayist van het rationalisme dan onbekommerd zijn hoofd verliest. Zijn enthousiasme is zelfs zo groot dat het hem soms zijn eigen stellingen doet ontkrachten. Want Kousbroek zou Kousbroek niet zijn, als hij temidden van zijn lofzang op de dieren de kans niet zou aangrijpen om de aanval in te zetten op het christendom.

In meerdere hoofdstukken verkondigt hij zijn overtuiging dat geloof en dierenliefde maar moeilijk samengaan. Pas met Darwins evolutietheorie kregen mensen immers aandacht voor dieren zoals ze werkelijk zijn, leerden ze echt van dieren houden. Dat is een interessante stelling, die Kousbroek illustreert met voorbeelden uit de literatuur: vóór de wetenschappelijke revoluties van de negentiende eeuw bestond de literaire verbeelding van dieren voornamelijk uit projectie van menselijke eigenschappen. Er bestonden slechts karikaturen van dieren, alleen maar bedoeld om een moralistische boodschap over te brengen.

In zijn hoofdstuk over ezels wijt Kousbroek de negatieve beeldvorming en de slechte behandeling van deze ‘wonderen van trouw en geduld’ goeddeels aan het christendom. Het reisverslag uit 1879 van Robert Louis Stevenson, Travels with a Donkey in the Cévennes, dient als voorbeeld voor het gebrek aan aandacht dat gelovigen kunnen opbrengen voor hun trouwe reisgenoten. Als Stevenson meldt dat hij na drie dagen reizen nog steeds zo ‘koud als een aardappel’ stond tegenover zijn lastdier, luidt Kousbroeks commentaar: ‘Dat komt van al die theologische beschouwingen, dacht ik toen ik dat las, met al die “liefde voor het gebed”. (…) wat blijft er zo nog over voor een muisgrijs ezeltje’.

Een soortgelijke teleurstelling maakte Kousbroek anderhalf jaar geleden mee. Als lijstduwer van de Partij voor de Dieren kwam hij voor een onaangename verrassing te staan, toen bleek dat partijleider Marianne Thieme lid was van de Zevendedagsadventisten, en de motivatie voor haar dierenliefde bijbels geïnspireerd. Kousbroek nam publiekelijk afstand van haar opvattingen: ‘Wat willen die mensen eigenlijk? Het antwoord is: wat ze bezighoudt is niet de dieren, maar hun eigen zieleheil. Ze zijn uit op Verlossing, niet van de dieren maar van hun eigen zondige geest.’

Werkelijke dierenliefde komt alleen tot stand op basis van wetenschappelijke kennis, zo luidt de boodschap van Medereizigers. De evolutietheorie zorgde er niet alleen voor dat de vanzelfsprekendheid van de menselijke superioriteit boven dieren wegviel, maar gaf dieren iets dat ze daarvoor nog nooit gehad hadden in de ogen van mensen: een verleden. ‘Zelfs een begrip als dierenbescherming is te danken aan de wetenschappelijke belangstelling voor het dier en niet aan de Christelijke moraal, die zich in tweeduizend jaar nimmer om het lot van de dieren heeft bekommerd.’

Er zit wel enige logica in deze gedachte. Maar echt overtuigen doet Kousbroeks stokpaardje toch niet: dat de ware dierenliefde maar anderhalve eeuw oud is, en de afwijzing van het ‘Hogere’ daar een voorwaarde voor is blijft te veel in het theoretische hangen. Het is een intrigerend idee, waarvan je hoopt dat er nog eens een goede cultuurgeschiedenis over zal worden gemaakt. Maar in zekere zin is Kousbroeks ode aan de dieren zelf al een ontkrachting van zijn theorie: de manier waarop hij zijn liefde aan dieren betuigt gaat over veel meer dan alleen wetenschappelijke verwondering. De kracht van Medereizigers zit hem juist in Kousbroeks totale overgave aan de onschuld van de dierenwereld, waarvan hij de wreedheid en het pragmatisme welbewust over het hoofd ziet. Het lukt Kousbroek dan ook nauwelijks om christelijke metaforen als ‘paradijs’, ‘ziel’ en ‘schepping’ af te zweren. De lyrische uitspattingen waarmee Kousbroek zijn ode aan de dieren zingt, vormen een contrast met zijn pleidooi voor nuchtere empirische waarneming. Zo barst zijn lofzang op de kip uit in een uitroep als deze: ‘Wie geeft er om een kip? Ik. Is er iemand die altijd aan haar denkt? Ja, ik. Wie heeft haar lief? Ik, ik.’ Dat is geestig geschreven, maar ook typerend voor de manier waarop Kousbroek zijn beminde dieren op een voetstuk plaatst.

De kracht van de nuchtere observatie komt in het kippenhoofdstuk dan ook niet van hemzelf, maar van de Engelse boerin Rosamund Young, die een boek schreef waarin zij nauwgezet het gedrag van haar vee bijhoudt. Het viel haar op hoe sociaal haar kippen omgingen met een gewonde in hun midden, die moeite had om weer te herstellen na een vossenbeet. Ze werd getroost door de andere kippen in de ren, die haar aan de snavel liefkoosden en pas begonnen met eten als zij klaar was. Het blijkt zelfs dat kippen iets als een rouwproces kennen: toen de gewonde kip stierf, leek het haast of de overgebleven kippen een wake hielden: ze kwamen elke nacht bijeen in de hoek van de ren waar de overledene altijd gezeten. Pas na een week besloten ze de hoek schoon te maken.

Dit soort observaties maakt Kousbroek zelf ook, bijvoorbeeld over ganzen die het eerste wezen dat zij zien als ze het ei uitkomen als hun moeder beschouwen. Dat leidt tot prachtige beelden van gansjes die achter een mens of een poes aan dribbelen. Waarop Kousbroek zijn vertedering toch niet kan bedwingen: ‘Wie daarnaar kan kijken zonder hopeloos verliefd te worden op ganzen is een Frankenstein.’

De innerlijke tegenstrijdigheid van Medereizigers maakt het boek eigenlijk alleen maar leuker om te lezen. De overheersende teneur bestaat uit een aanstekelijke dierenliefde. Alleen al hun bestaan beschouwt hij als ‘een cadeau dat ons in de schoot wordt geworpen door Moeder Natuur; soms zelfs dieren die gelukkig lijken te zijn in onze nabijheid. Dat is een opoffering, een wonder, een overblijfsel uit een verloren Paradijs.’ Deze bijna religieuze verering contrasteert overduidelijk met Kousbroeks pleidooi voor nuchtere wetenschappelijke waarneming. Maar meer dan dat laat ze vooral zien hoe de criticaster van het christendom zozeer meegesleept wordt door zijn dierenliefde, dat hij er haast gelovig van zou worden.