Wat ik zeg als niemand spreekt

Nachoem Wijnbergs voor de VSB-prijs genomineerde het leven van is geen bundel van verzen, maar van zinnen. Je kunt je ook afvragen of dit eigenlijk wel poëzie is. Maar hoe dan ook: het werkt.

Nachoem M. Wijnberg: het leven van. Contact, 80 blz. € 19,95

De nieuwe bundel van Nachoem Wijnberg, het leven van, is de vreemdste poëziebundel die ik in tijden heb gelezen. Ik weet niet eens zeker of het wel een poëziebundel is.

Poëzie wordt van oorsprong geassocieerd met cantante middelen. Lyriek vindt haar wortels in de muziek. De oudste gedichten die we in Europa kennen, de gedichten van Sappho, Alcman, Pindarus, Alcaeus en nog zo’n paar dichters, zijn songteksten waarvan de melodie verloren is gegaan. Ook in de middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd waren veel gedichten bedoeld om gezongen te worden. En de meerderheid van de gedichten die in de loop der eeuwen zijn geschreven met drukinkt op kwaliteitspapier met de bedoeling om in stilte met het aandachtige oog genoten te worden, vertonen een acuut bewustzijn van en een voortdurende preoccupatie met de kenmerken van gezongen taal. Ze dansen op de fundamenten van metrum en rijm, of in elk geval van ritme en klank. Ze vertonen een voorkeur voor een strofische opbouw en de eenheid van het vers is in structureel opzicht belangrijker dan de syntactische eenheid van een afgeronde zin.

In al deze opzichten en vooral in dat laatste opzicht zijn de gedichten in het leven van fundamenteel afwijkend. Dit is geen bundel van verzen, maar van zinnen. Als ik het zo zeg, zeg ik het verkeerd. Ook een verhalenbundel of een roman is opgebouwd uit opeenvolgende zinnen. Maar zo is dit niet. Dit is helemaal anders. Elk gedicht is een estafette van afgeronde volzinnen die op zichzelf zouden kunnen staan. Elk gedicht leest als een reeks stellingen. De ene stelling volgt meestal op een natuurlijke manier op de andere, maar meestal zijn we al na een paar stappen mijlenver verwijderd van het uitgangspunt, althans op het eerste gezicht. Deze bundel is een soort Tractatus logico-philosophicus, behalve dan dat hier de logica soms ver te zoeken is. En bovendien behandelen de stellingen niet de fundamenten van de filosofie of aanverwante verheven problemen, maar juist zeer alledaagse beslommeringen, of, beter gezegd, zeer wereldvreemde beslommeringen die op een merkwaardige manier opeens heel alledaags aandoen:

Als ik nog een keer iets zou kunnen worden zou ik willen leren voor dokter, omdat dokters meer hun best doen voor collega’s.

De zieke dokters die ik spreek zeggen dat het echt zo is, en dat het jammer is dat ik op geen enkele manier een collega ben.

Ook niet als ik alles geleerd zou hebben wat zij geleerd hebben, want als ik eerder al iets anders geleerd heb kan ik dokter zijn én er nog iets bij doen, of dan weet ik het toch anders dan zij, omdat ik het pas zo laat geleerd heb.

Ook de afzonderlijke gedichten vormen een estafette. De eerste zin van een nieuw gedicht knoopt aan bij de laatste zin van het vorige. De laatste twee zinnen van de bundel luiden, met een knipoog naar Wittgensteins Tractatus: ‘Je stelt bijna nooit iets voor waar ik iets aan heb, maar op een ochtend zeg je iets en ik probeer te begrijpen hoe ik dat over het hoofd heb kunnen zien./ Als iemand niet meer kan spreken, hoeveel zeg ik dan nog, daar kan ik zelf niet over beslissen.’

Deze slotzin sluit weer aan bij de openingszin van het eerste gedicht van de bundel: ‘Alsof hij elke dag een beslissing neemt die zo goed is als wanneer hij zijn hele leven daarover had kunnen nadenken.’

Tijdens deze estafette, waarbij de laatste hardloper uiteindelijk het stokje teruggeeft aan degene die als eerste is vertrokken, passeren we verschillende reeksen samenhangende gedichten. Het gaat een tijdje over een kat, er zijn verschillende gedichten over dokters die de loterij hebben gewonnen en over dokters die zelf ziek zijn, over oude Grieken en Romeinen en over de familie van de ik-figuur. Verschillende thema’s keren telkens terug in de bundel: de toneelspelers, de noodzaak om zich aan regels te houden en vooral het thema van aankomst en vertrek en van tijdelijk verblijf op een plek tussen aankomst en vertrek.

De kans dat iemand niet terugkomt is het grootst als hij hier nog niet lang is, daarom wordt er zo weinig mogelijk met hem gesproken tot hij een keer teruggekomen is.

[...]

Ik vind het moeilijk om iets te zeggen wat algemeen-geldend is zonder ook iets te zeggen over het zonlicht als ik uitgezwaaid word.

Als iemand net aangekomen is heeft hij zo veel vragen en als ik niemand anders hoor antwoorden zeg ik iets wat algemeen-geldend lijkt, maar gaat over wat ik zelf een keer meegemaakt heb.

Het leven van vertelt het leven van de ik-figuur die op deze manier eenzaam en moedig wandelend van aankomst naar vertrek en van vertrek naar aankomst, in rustige zinnen, met de inadequate middelen van de logica grip probeert te krijgen op de wanhoop die hem zou overweldigen als hij zijn zinnen niet meer zou kunnen zeggen. En of het nou poëzie is of niet, het is ontroerend en waar.

De VSB-poëzieprijs, waarvoor Wijnberg is genomineerd, wordt uitgereikt op 9 april. Ook genomineerd zijn Lidy van Marissing (Zoek de lege gebieden), Bart Meuleman (omdat ik ziek ben), Alfred Schaffer (Kooi) en B. Zwaal (zouttong).