Vrij van God

In Boeken (13.02.09) publiceerde Willem Schinkel een laatdunkende recensie van Joost Zwagermans boekje Hitler in de Polder & Vrij van God. Die recensie gaat hoofdzakelijk over de vraag of er een elite in Nederland is en wie daar toe zou behoren. Verder bevat zij de insinuatie dat Zwagerman zelf voorganger van een nieuwe elite zou willen worden en eindigt met een sneer : Zwagerman doet er goed aan zijn mond verder te houden.

Schinkel gaat aldus voorbij aan een zeer wezenlijk punt : wat brengt sommige intellectuelen er toe zich kritisch jegens het christendom uit te laten en de emancipatie van vrouwen hier toe te juichen, maar wanneer het om de islam en moslima’s gaat, aan de andere kant van de boot te hangen en bescherming aan te bieden?

Zwagerman komt met een aantal sprekende voorbeelden. Jan Blokker zegt: ‘De christenen beginnen al aardig praatjes te vertonen’ (na de installatie van het huidige kabinet.) Maar hij zegt ook van Ayaan Hirsi Ali dat zij zwetst ‘als een middelbareschoolmeisje van Mulo-niveau.’

De ‘fundamentalistische’ kant van Hirsi Ali vindt hij ‘doodeng’. Blokker verzet zich klaarblijkelijk tegen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Wie het eens is met die Verklaring, is een fundamentalist.

En zo gaat het door. Frits Abrahams verwijt de afvallige moslim Ehsan Jami ‘een hoge toon en ijdelheid’. Dominee Huub Oosterhuis kan zich bij de moord op Theo van Gogh ‘iets voorstellen’. Toen Hugo Brandt Corstius in 1984 de P.C. Hooftprijs door weigering van minister Brinkman misliep, stond links Nederland op zijn achterste poten en eiste ‘onbeperkte vrijheid van meningsuiting’. En nu, inzake de islam?

De vraag blijft: waarom? Wat brengt vooraanstaande intellectuelen er toe met twee maten te meten?

Volgens Zwagerman willen deze ‘vooraanstaande intellectuelen’ zich kenbaar maken als ‘goede Nederlanders’, en aan de goede kant van de streep staan. Maar is dat iets anders dan lafhartig gedrag?