Verzonken in een blauwzwarte nacht

Marit Törnqvist: Wat niemand had verwacht. Querido, 6+, 64 blz. €14,95

Haasthaastdrukdruk. Opzij, opzij, ieder voor zich en de sterkste wint. Wie valt moet snel weer opstaan, hier is geen tijd voor. Wie valt, wordt vergeten.

Het overkomt in Wat niemand had verwacht van Marit Törnqvist een meisje dat in een afgrond is gevallen. Klein en eenzaam staat ze in haar kuil op Törnqvists tekeningen, tekeningen die kaal maar niet leeg zijn, fragiel en soms ontroerend; een uitgeput kind dat haar hoofd laat rusten op de rode bal die zij in haar armen houdt, met boven haar niets dan dikke, eindeloze, blauwzwarte nacht. Elke bladzij is een wereld op zich. Kleine mensfiguren kijken over de rand van een grote diepte, het meisje kijkt omhoog. Door steeds die afgrond zijn de tekeningen indringend en ze hebben niet meer ondersteuning nodig dan de enkele korte zinnen die Törnqvist ze geeft. ‘Heel soms maakte iemand muziek voor haar. En het meisje in de diepte bleef leven’, schrijft ze bij de man die aan de rand van de afgrond onder de sterrenhemel viool zit te spelen.

Wat niemand had verwacht heeft dezelfde droomsfeer als Klein verhaal over liefde, het eerste boek dat Törnqvist schreef en illustreerde. Daarin zit een meisje dag en nacht op een paal in zee, ze kijkt naar alle boten die aan haar voorbij varen, tot de lach van een man haar bestaan overhoop gooit. In Wat niemand had verwacht is de sfeer nachtmerrieachtig, en het verhaal snijdt, ondanks een man van betekenis.

Alle mensen willen dat meisje in de afgrond aanvankelijk redden, daar ligt het niet aan, het had wel hun dochter kunnen zijn! Ze halen ladders, maar die zijn allemaal te kort. Dan schrijven ze maar brieven, zo veel dat het meisje er een bedje van kan maken. Ze kunnen echter niks verzinnen om haar uit die kuil te krijgen. Omdat ze zich niet onmachtig willen voelen, keren ze zich tegen het meisje, dat wel erg veel van hun kostbare tijd in beslag begint te nemen: ‘Had het wel zin? Al die lieve woorden? En deed ze eigenlijk wel iets met hun goede raad?’ Opgelucht bedenken ze dat ze misschien niet te redden is. ‘En dan konden ze het beter maar laten en andere dingen gaan doen. Er was nog zoveel dat moest’.

Törnqvist doet het ons niet aan het meisje van honger te laten sterven, er is die barmhartige samaritaan die haar zijn trui toewerpt, die eten naar beneden blijft gooien. En ze komt de kuil uit, met hulp van een jongetje wiens bal naar beneden is gerold.

Maar loopt het nu nog goed met haar af? De lezer mag het zeggen. Het meisje wil iedereen vertellen ‘dat het hierboven zo licht is’, maar iedereen heeft het druk, met een protestbord of een bakfiets met een kast erin, een kind in hun armen of een mand op hun hoofd. Niemand herkent haar. De troost, de onze, komt van de wetenschap dat de man die haar zijn trui gaf, haar zal zoeken tot hij haar vindt.