Touwtrekken om Berlijnse affiches

Het Deutsche Historische Museum moet een collectie affiches teruggeven aan de zoon van de vroegere eigenaar.

Alsof alsnog het straatrumoer te horen is van de wereldstad Berlijn in de eerste decennia van de twintigste eeuw, zo herleeft de luister van de variététheaters, de chic van heren met monocle en dames in ruisend lang, de glamour van toneel, film en sigarettenrook, het esprit van de humoristische tijdschriften, het in zoevende automobielen verbeelde vooruitgangsgeloof en de hoog oplopende politieke twisten die eveneens tot de opwinding van die tijd bijdroegen. De tentoonstelling Wiedersehen mit Berlin 1890-1930 in het Affichemuseum in Hoorn is, kortom, een bonte bedoening. Affiches geven weliswaar geen geluid, maar ze roepen wel veel op – en zeker de 63 exemplaren die hier in deze stijlkamers hangen, kris kras door elkaar, elk voor zich vechtend om de aandacht van de voorbijganger, zoals ze dat bijna honderd jaar geleden óók al deden, toen ze nog langs de boulevards van Berlijn hingen.

Dat deze affiches nog bestaan – broos en breekbaar inmiddels, gedrukt op goedkoop papier en dus nooit bedoeld om eeuwig bewaard te blijven – is vooral te danken aan het feit dat ze destijds al werden verzameld. Wat er nu in Hoorn te zien is, behoorde ooit tot de collectie van de jurist Walter zur Westen, een hoge ambtenaar bij de Pruisische regering. Zur Westen koos in 1921 voor een ander verzamelobject – de ex libris – en verkocht zijn affiches. Het waren er duizenden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging ongeveer de helft verloren. Van de rest kwam tenslotte een groot deel in Nederland terecht. In het depot van het Haags Gemeentemuseum bijvoorbeeld, en bij particuliere verzamelaars als Martijn le Coultre, voorzitter van het Affichemuseum, die deze expositie samenstelde.

Maar er bestaat ook nog een andere verzameling van Berlijnse affiches, minstens zo omvangrijk en gerenommeerd, waarmee het heel anders is gegaan. Daarover wordt tot op de dag van vandaag geprocedeerd. Het is de collectie van de joodse tandarts Hans Sachs, die in 1906 de Verein der Plakatfreunde oprichtte en Walter zur Westen tot eerste erelid benoemde. „Hun verzamelingen liepen grotendeels parallel,” zegt Le Coultre. „Wat wij nu exposeren, vind je óók in de collectie van Sachs. Het belangrijkste verschil is dat Sachs veel langer is blijven verzamelen; zijn affiches bestrijken de periode tot begin jaren dertig.” En een ander verschil is dat de affiches van Sachs zich nog steeds in Berlijn bevinden. De vraag is alleen hoe lang ze daar nog zullen blijven. Vorige week heeft het Landgericht in Berlijn vastgesteld dat ze eigendom zijn van Peter Sachs, de in Florida woonachtige zoon van de in 1974 gestorven verzamelaar.

Het is het zoveelste verhaal over kunstschatten die voor de oorlog in joods bezit waren, maar toch net weer anders dan alle andere. Hans Sachs besloot in 1938 te emigreren. Hoewel het hem moeite kostte afstand te doen van zijn affiches, nam hij toch contact op met mogelijke kopers uit zijn kennissenkring. Alles liep echter op niets uit; zaken doen met Joden hield nu eenmaal risico's in. Wel kreeg Sachs ongewenst bezoek van drie hoge functionarissen van het door Joseph Goebbels geleide ministerie van propaganda, vergezeld door Walter zur Westen die als deskundige optrad. Zij kwamen Sachs’ collectie inspecteren. Vervolgens kreeg de verzamelaar te horen dat alles in beslag werd genomen. Goebbels had besloten dat er een extra vleugel moest worden gebouwd aan het Kunstgewerbemuseum in de Prinz Albrechtstrasse, waar deze affiches de basis zouden vormen voor de nieuwe afdeling „de kunst van de koopman”. Een dag later reden bij de familie Sachs drie grote vrachtwagens voor om alles in te laden.

Zelf werd Hans Sachs daarna opgepakt en naar het concentratiekamp Sachsenhausen vervoerd. Maar al na een week kwam hij weer vrij, op voorwaarde dat hij onmiddellijk met vrouw en kind het land zou verlaten. Ze vertrokken naar Amerika. Hoe dat mogelijk was, is nooit opgehelderd. Le Coultre vermoedt dat Zur Westen daarbij een rol heeft gespeeld: „Waarom hij bij die inspectie aanwezig was, is niet duidelijk. Maar wel staat vast dat hij tijdens het nazibewind geweigerd heeft als rechter te werken. Daarna was hij zodoende een van de weinige Duitse rechters die niet besmet waren”.

Na de oorlog wilde Sachs vanzelfsprekend weten hoe het met zijn affiches in het Kunstgewerbemuseum was afgelopen. Niets meer van over, kreeg hij vanuit Berlijn te horen. Het gebouw was door Engelse bommenwerpers met de grond gelijk gemaakt. „De collectie die ik in veertig jaar bijeen had gebracht, was binnen tien minuten weg,” zei hij in de jaren vijftig in een lezing voor Amerikaanse afficheliefhebbers. In 1961 verstrekte de West-Duitse regering hem de somma van 225.000 mark als Wiedergutmachung. Vijf jaar later werden echter in de kelder van een huis in Oost-Berlijn duizenden affiches uit de Sachs-collectie ontdekt. Ze werden overgedragen aan het staatsmuseum van de DDR en gingen na de val van de Berlijnse muur naar het Deutsche Historische Museum waar ze nu nog liggen.

Sinds de dood van zijn vader procedeert Peter Sachs, inmiddels gepensioneerd piloot, over de teruggave. Volgens het museum is daartoe geen aanleiding; de verzamelaar was immers al schadeloos gesteld. Maar volgens de zoon was die regeling gebaseerd op onjuist gebleken informatie over het lot van de collectie. Nu die de oorlog dus toch heeft overleefd, eist Sachs alles op. Na jaren procederen heeft hij vorige week een belangrijke overwinning behaald. Het Landgericht in Berlijn bepaalde dat hij inderdaad de eigenaar is. Of de hele collectie nu naar Florida gaat, heeft Sachs junior nog niet gezegd. Het kan ook zijn dat hij alles bij het museum in bruikleen laat. En het museum gaat trouwens nog in hoger beroep omdat het de affiches wil behouden. Affiches die, zoals in Hoorn te zien is, een totaal ander Berlijn tonen, in een totaal andere tijd.

Wiedersehen mit Berlin 1890-1930 in het Affichemuseum, Hoorn, t/m 10/5. Inl. 0229-299846, www.affichemuseum.nl