Topnatuur in Weerribben en Wieden

De Overijsselse natuurgebieden De Weerribben en De Wieden zijn onlangs verenigd tot nationaal park, het grootste aaneengesloten laagveenmoeras in Europa.

Het heeft een paar jaar geduurd. Er was weerstand. Dorpelingen waren bang dat ze nooit meer een huis mochten bouwen. Boeren vreesden in de Kop van Overijssel nauwelijks meer te kunnen werken. Niettemin kon vorige week na veel vergaderingen en huiskamergesprekken een nieuw nationaal park worden ingesteld dat twee natuurgebieden verbindt: Weerribben en Wieden. „Toen duidelijk werd dat we er met z’n allen waren uitgekomen, heb ik er thuis een goed glas wijn op gedronken”, vertelt voorzitter Riet Vosjan van het nationaal park.

De Weerribben was sinds 1992 al nationaal park, en onder meer bekend door de verkiezing tijdens een tv-programma tot mooiste plek van Nederland. Nu hoort De Wieden erbij, en is een natuurgebied ontstaan van 10.000 hectare, het grootste aaneengesloten laagveenmoeras in Europa.

Het is een prachtig gebied, niet alleen wegens de bijzondere diersoorten die er voorkomen zoals grote vuurvlinder, donkere waterjuffer en gevlekte witsnuitlibel. Maar ook door de cultuurhistorische waarde van het gebied, waar tjaskers staan (windmolens die ooit de petgaten drooglegden) en waar nog altijd vierhonderd rietsnijders actief zijn, inclusief de ‘zaterdagsnijders’ die dit ambacht in hun vrije tijd beoefenen. „In dit gebied is altijd met bloed, zweet en tranen gewerkt”, zegt Hayo Apotheker, oud-minister en nu burgemeester van Steenwijkerland.

In Weerribben en Wieden en omgeving wonen ongeveer 64.000 mensen, in dorpen met namen als Kalenberg, Muggenbeet, Dwarsgracht en Nederland. Deze mensen, vertelt secretaris Hans Schiphorst van het nationaal park, hebben zich laten overtuigen van nut en noodzaak om het gebied te beschermen. De aanwijzing tot nationaal park verandert weinig aan de economische beperkingen die de omgeving nu ook al stelt. Terwijl daarentegen de economische voordelen van een aanwijzing tot ‘topnatuur’ groot zijn. Je kunt zo’n prachtgebied gerust vergelijken met de aanwezigheid in je gemeente van een voetbalclub die meedraait in de top van de eredivisie. Ga maar na: er komen jaarlijks 900.000 bezoekers „en dat is evenveel als er jaarlijks in het stadion van een topclub zitten”, aldus burgemeester Apotheker.

Er ligt een rapport, getiteld Kop en munt, waarin het nationaal park wordt beschouwd als ‘drager’ van de regionale economie. Om het gebied te beheren, is eigenlijk 6 miljoen euro per jaar nodig. De Tweede Kamer heeft vorig jaar al eenmalig 3 miljoen extra vrijgemaakt. Dat geld is nodig om gronden af te plaggen, maar ook om de rietcultuur in stand te houden. Die heeft het immers moeilijk. „Je kunt tegenwoordig beter een krantenwijk hebben dan riet snijden”, zegt Hans Schiphorst. De opbrengsten van het gebied zijn daarentegen groot. Alleen al aan belastingen is het goed voor jaarlijks 18 miljoen euro, en daar komt de winst van de ondernemers nog eens bij: ruim 50 miljoen. Er zijn duizend banen die ermee in verband staan. „Dan hebben we het over directe werkgelegenheid, maar dus ook over de aannemer die de bar van een camping verbouwt”, zegt Schiphorst. Al moet je de commerciële invloed van natuur ook weer niet overdrijven, stelt burgemeester Apotheker. Want het is de vraag of je „elke regenjas” die mensen kopen als het regent, ook meteen moet toerekenen aan de aanwezigheid van een nationaal park. De verleiding om dat wel te doen, is groot.

Arjen Schreuder