Pin-up met reuzenvlieg

Het Bonnefantenmuseum in Maastricht viert het 125-jarig jubileum met een expositie van Amerikaanse kunstenaars die eigenzinnig afweken van de mainstream. Van Gogh waart overal rond op de tentoonstelling, als het ultieme voorbeeld van onaangepastheid.

‘Made in New York by Jesus Christ’. De schilder schreef het in rode letters onderaan het doek. Met een helderblauwe verfveeg over iedere lettergreep, zodat je het maar weet. Dat John Tweddle juist dit schilderij door Jezus liet signeren is wel te begrijpen. Van de 22 schilderijen die hij exposeert in het Bonnefantenmuseum is dit het meest serene werk, de uitdrukking van een begenadigd moment van rust en harmonie, of van een geslaagde LSD-trip.

We zien een golvend patroon van gele en blauwe banen, omgeven door een grasgroene rand. Het patroon doet denken aan de ribbels in het zand als de golven van de zee zich terugtrekken. Of aan een zonsondergang aan het eind van een zomerdag, want rechts onderaan zijn de banen helder en intens van kleur en naar linksboven worden ze geleidelijk blauwig en minder verzadigd.

Wie kent John Tweddle? Hij is in 1938 geboren in Pinckneyville, Kentucky, en studeerde eind jaren vijftig aan het Kansas Art Institute en aan de Atlanta School of Art. Begin jaren zestig werd Tweddle ontdekt door de fameuze Green Gallery die hem naar New York haalde. Daar deed hij het goed, werd aangekocht door het echtpaar Victor en Sally Ganz dat ook werk van Jasper Johns, Robert Rauschenberg en Frank Stella verzamelde, en door Robert Scull, die zo’n dertig schilderijen en 2500 tekeningen van Tweddle verwierf. Maar Tweddle kon niet aarden in de kunstwereld. Het commerciële en artistieke circus vervulde hem van walging. In 1972 verliet hij New York en verdween voorgoed uit het zicht.

Tot vorig jaar. Kunstenaars bleven zich Tweddle’s werk herinneren, en de door Scull aangekochte schilderijen bleken te zijn opgeslagen in een loods in New York. Via de Scull-connectie slaagde de directeur van het Bonnefantenmuseum Alexander van Grevenstein erin contact te leggen met John Tweddle. Hij woont nu in New Mexico en heeft sinds 1972 geen kwast meer aangeraakt. Vorige week was Tweddle samen met vijf Amerikaanse mede-exposanten (drie van de in totaal negen kunstenaars zijn overleden) aanwezig in Maastricht. Naar verluidt hebben de mannenbroeders hun samenzijn aan de vooravond van hun tentoonstelling uitbundig gevierd.

Exile on Main Street is de jubileumtentoonstelling ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Bonnefantenmuseum. Eigenzinnigheid en onaangepastheid is waar het op deze tentoonstelling van Amerikaanse kunst om draait. De titel is ontleend aan de dubbel-lp van de Rolling Stones uit 1972. Die werd zonder professionele apparatuur opgenomen in een dorpje aan de Côte d’Azur waar de Stones waren beland op hun vlucht voor de Amerikaanse belastingdienst. Het werd hun beroemdste album. Op de cover staan foto’s van variétéartiesten van vroeger, van goochelaars, een buikdanseres, Siamese tweelingen, mensen kortom die overleefden aan de marge van de samenleving. Op de tentoonstelling in het Bonnefanten zijn nu meer dan 200 werken bijeengebracht van kunstenaars die tegen de mainstream van de Amerikaanse kunst in hebben geroeid.

De tentoonstelling gaat dus over

kunstenaars die hun werk produceren aan de rand van de kunstwereld, in zelfgekozen ballingschap. Zogenaamde ‘artists’ artists’, die een inspiratie zijn voor medekunstenaars maar die niet zijn doorgedrongen in het circuit van grote musea en het grote geld. De mainstream waar deze Amerikanen zichzelf buiten hebben geplaatst is de schilderkunst van de New York School, met schilders als Mark Rothko en Willem de Kooning, en de strenge minimal art van bijvoorbeeld Donald Judd die erop volgde. Deze kunst – de laatste fase van het modernisme – ligt ver achter ons. Tegenwoordig is er geen artistieke hoofdstroom meer aan te wijzen waartegen kunstenaars zich kunnen verzetten.

De jongste kunstenaar op de tentoonstelling, Joe Zucker, is zeventig jaar oud, en de oudste, Alfred Jensen (overleden in 1981), zou nu 106 zijn geweest. Ook al werkten zij in de marge, toch worden vrijwel alle kunstenaars op de tentoonstelling vertegenwoordigd door belangrijke galeries en kunnen (of konden) zij heel aardig van hun werk rondkomen.

Ook het verhaal van de tegenstelling

tussen hoge en lage kunst waarnaar bij de tentoonstelling verwezen wordt is nu achterhaald. De scheiding tussen ‘hoge’, zuivere, meestal abstracte kunst en ‘lage’ cultuuruitingen die beïnvloed zijn door striptekeningen, cartoons en reclame, bestaat allang niet meer. In de beeldende kunst is die scheiding al sinds de Pop Art-periode opgeheven. En er zijn heel wat Amerikaanse kunstenaars die, met het surrealisme als voorland, de weg van de lage driften en van het verzet tegen maatschappij en hoge cultuur kiezen: van Paul Thek in de jaren zestig tot recent Paul McCarthy en Mike Kelley.

Dit neemt niet weg dat Exile on Main Street een fantastische tentoonstelling is met werk dat we zelden of zelfs helemaal nooit te zien krijgen. De meeste exposanten genieten weliswaar grote faam in kleine kring, maar hebben geen solotentoonstellingen in een groot museum gehad, en zeker niet in Amerika. Richard Artschwager (1923) bijvoorbeeld wordt vooral in Europa gewaardeerd. Het is een verrassende keuze om zijn werk in deze uitbundige schilderkunsttentoonstelling op te nemen. Het werk van deze quasi-intellectuele kunstenaar is volkomen ongrijpbaar. In het Bonnefanten toont Artschwager enkele sculpturen in de gedaante van nauwkeurig nagemaakte houten kratten waar normaal gesproken kunstwerken in worden getransporteerd. In één ervan staat een stuk boomstam, een sculptuur in een sculptuur, waarvan de bast is gemaakt van formica. Dit soort dubbelzinnigheden kennen we van Artschwager, maar helemaal nieuw zijn zijn recente tekeningen in vetkrijt die voor menig Artschwager-liefhebber aanstootgevend moeten zijn. Artschwager tekende in snoepkleuren romantische, poezelige landschappen met verre horizonnen.

De kunstenaars in

Exile on Main Street rebelleren uit alle macht tegen de Amerikaanse cultuur. Tegen het militarisme van de supermacht, zoals te zien is in de tekeningen van de ex-marinier H.C. Westermann. Tegen consumentisme en de vercommercialisering van de kunst, zoals in de schilderijen van Peter Saul. Tegen de hypocrisie van het christelijke fatsoen, zoals in de collages van Steve Gianakos (1938). Gianakos is, net als Tweddle, vrijwel onbekend. Zijn werk is schitterend, in zijn puntigheid, scherpte en gevoel voor humor. De expliciete erotiek van zijn tekeningen gaat de meeste van zijn landgenoten kennelijk te ver, vermoedelijk zou hij in Europa meer succes hebben gehad. Zelf zegt hij: „Mijn werk is bij lange na niet zo aanstootgevend als de mensen die er naar kijken.” Gianakos plakt stukken papier, deels bedrukt, deels betekend, in dikke lagen over elkaar. Hij tekent in een quasi naïeve, illustratieve stijl naakte pin-ups, al dan niet in seksuele handelingen verwikkeld met een reusachtige vlieg, slang of kameleon. Hier zijn echo’s te vinden van grote voorgangers als Francis Picabia, René Magritte en Man Ray.

Wat erotiek betreft is het werk van Bill Copley onovertroffen. De welgestelde Copley (1919 – 1928) opende op 28-jarige leeftijd een galerie in Los Angeles waar hij, voor het eerst in Amerika, beroemde surrealisten exposeerde, onder wie Max Ernst, Man Ray en Magritte. Hij woonde jarenlang in Parijs en begon zelf pas te schilderen toen hij al tegen de dertig liep. Vrolijke, levenslustige beelden zijn het, bevolkt met langharige, meest blonde nimfen. Zelf figureert hij erin als man met bolhoed. Copley combineert een aan Matisse verwante decoreerlust en gevoel voor patronen met een virtuoze lijnvoering en grafisch aandoende contouren. In het Bonnefanten is ook een kamerscherm te zien, met aan de ene kant vier kleurige gratiën en aan de andere kant heraldische motieven van ondermeer een Venus en man-met-bolhoed.

De schilderijen van Tweddle zijn een ander hoogtepunt. De rebellie spat er vanaf. Tweddle produceerde een ironische, Pop Art-achtige variant van shaped canvas, de abstract-modernistische stroming waar Stella de bekendste vertegenwoordiger van was. Zijn doeken van ruim twee bij drie meter hebben een kronkelige omtrek, met afgeronde hoeken of in een rare trapeziumvorm waar je slappe knieën van krijgt.

Tweddle’s favoriete motief

is het dollarteken. Hij schildert het op een soort dambord waar de tekens worden afgewisseld met afbeeldingen van auto’s, en op een schilderij dat doet denken aan een plastic tafelzeil uit de jaren zestig. Of dansend tussen woorden als love, ass, fart, pussy en jesus. De meeste van Tweddle’s schilderijen zijn in feite een soort landkaarten, waar vlekken als eilanden in drijven. De blik dwaalt in vogelvlucht over een wereld van hebzucht, seks en oerdriften. Het landkaartkarakter en de rebus-achtige tekens doen ook denken aan de sandpaintings van Australische Aboriginals. Aboriginal schilderkunst, Pop Art, modernistische abstractie: Tweddle’s werk is bijzonder eigenzinnig.

Het verbaast niet dat Van Gogh overal rondwaart op deze tentoonstelling. Hij blijft het ultieme voorbeeld van onaangepastheid en van een volstrekt compromisloos kunstenaarschap. Van Goghs landschappen weerklinken bij Westermann, hij figureert in een tekening van Tweddle en in een schilderij van Saul (1934). Saul maakt door striptekeningen beïnvloede schilderijen die zó hysterisch zijn en die soms zulke weerzinwekkende taferelen laten zien dat je het eerst niet wilt zien. Om er vervolgens toch ingezogen te worden, want Saul is zijn techniek en het componeren van het beeld zo goed meester dat je wel moet kijken. Hij tamponneert met grote zorgvuldigheid de verf op het doek zodat het er van een afstand uitziet alsof de verf gespoten is. Niet alleen de Amerikaanse maatschappij maar ook de kunst wordt door Saul op de hak genomen. Een suppoost pist in het urinoir van Duchamp en Mickey Mouse schildert sneller dan Jackson Pollock. Een Mona Lisa die stikt in haar braaksel is het wel het meest bizarre, cynische en grappige schilderij van allemaal.

Saul zei in een interview: „Niet shockeren betekent dat je erin berust om meubilair te zijn.” Toch valt het met dat shockeren uiteindelijk wel mee. Saul en zijn mede-exposanten houden ons een spiegel voor, wat veel interessanter is dan een kortstondige ‘shock of the new’. De kunst is een vrijplaats waar niets onmogelijk of verboden is. Die vrijplaats biedt ons een kans om ons het onmogelijke voor te stellen en te beleven en, vooral, om te ervaren wat vrijheid is. En dat doet deze tentoonstelling als geen andere.

‘Exile on Main Street’, negen Amerikaanse schilders: Richard Artschwager, William Copley, Steve Gianakos, Alfred Jensen, Peter Saul, John Tweddle, John Wesley, H.C. Westermann, Joe Zucker. Bonnefantenmuseum, Avenue Céramique 250, Maastricht. T/m 16 aug. Di t/m zo 11-17 u. www.bonnefanten.nl.