Oudere kunstenaars in de knel

Kunstenaars van boven de 45 jaar hebben moeite het hoofd boven water te houden. Museumdirecteuren, critici, verzamelaars en subsidiënten richten zich vooral op jong en nieuw talent. „Waarom zijn er geen overzichten van Nederlandse kunst meer in de musea?”

De Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars (BBK) luidde vorig jaar de noodklok. Voor oudere kunstenaars is het steeds moeilijker om hun beroep te blijven uitoefenen. De laatste tijd wordt de BBK vaak geconfronteerd met problemen van oudere beeldend kunstenaars die hun inkomsten zien teruglopen en het soms niet meer redden.

Volgens Henk Rijzinga, secretaris van het BBK-bestuur, krijgt de vereniging steeds vaker signalen dat kunstenaars boven de 45 jaar in toenemende mate financiële zorgen hebben. Als voorbeeld vertelt Rijzinga dat hij een bekende kunstenaar sprak, een vijftiger, die zich altijd goed kon handhaven in de markt, maar die nu ineens vrijwel niets meer verdient. „Ja, de kredietcrisis heeft invloed op de kunstverkopen, maar bij die oudere kunstenaars is er veel meer aan de hand. Het gaat om een grote groep: Nederland heeft volgens het CBS in totaal 7.000 autonome beeldend kunstenaars van wie er meer dan 4.000 ouder zijn dan 45 jaar. Niet alleen de kunstuitlenen tonen minder belangstelling voor hun werk, ook de musea laten het afweten. De nieuwe generatie museumdirecteuren zoekt meer spektakel dan voorheen, want musea moeten publiek trekken. Dus zijn er minder overzichtstentoonstellingen van oudere kunstenaars in de musea. Het eerbetoon aan verdienstelijke kunstenaars, die een eigen oeuvre hebben opgebouwd, is zo goed als verdwenen. En ook de kranten besteden vooral aandacht aan kunst die jong, nieuw en spectaculair is. Galeriehouders nemen zelden een oudere beeldend kunstenaar op in hun stal. En het gebeurt nu vaker dat galeries breken met kunstenaars van wie ze jarenlang werk hebben getoond. Maar de kunstenaars die dat overkomt zullen er niet graag over spreken. Ze schamen zich ervoor.”

Die constatering klopt.

Wie het werkelijk slecht gaat wil daar niet over praten. De vier kunstenaars die wel bereid zijn iets te zeggen, hebben allemaal een deeltijdbaan als docent aan een academie. Hun werk is vertegenwoordigd in museumcollecties. Ze kunnen het hoofd boven water houden, ze willen niet klagen en enkelen zeggen zelfs dat het hun goed gaat. Zoals Luuk Wilmering (51) die nu een expositie heeft in De Pont, en zich ‘een jonge god’ voelt. Of Toon Verhoef (62) die net een gastprofessoraat kreeg aangeboden aan de academie in Karsruhe. Maar alle vier, Wilmering, Verhoef, Rob Birza (46) en Michiel Schierbeek (60) zien dat het hun generatie kunstenaars nu niet bepaald voor de wind gaat.

Toon Verhoef: „De kunstmarkt is de laatste jaren oververhit geraakt. Wat kwaliteit heeft wordt meer dan vroeger bepaald door het geld. Een kunstenaar wordt belangrijk gevonden omdat de prijs van zijn werk hoog is. En als je niet meedraait in die gekte, word je niet serieus genomen. Maar dat geldt niet alleen voor oudere kunstenaars, ook voor jongere. Die zijn even kwetsbaar. Ik ben gelukkig nooit een hot artist geweest. Een schilderij van mij zou op de veiling geen records breken. Maar ik exposeer regelmatig en mijn werk wordt nog altijd verkocht.”

Luuk Wilmering meent evenals

Verhoef dat een langzame en gestage carrière beter is voor een kunstenaar dan een flitsend snelle: „Vroeg rijp vroeg rot. De modes in de kunst volgen elkaar te snel op. De samenleving is meer op consumptie gericht en kunst is een soort snack geworden. Ik heb mijn werk rustig ontwikkeld en ik heb niet te klagen over belangstelling. Wel over de aankopen: daar zou ik niet van kunnen leven. Er is bijna geen kunstenaar die zonder af en toe subsidie te krijgen aan het werk kan blijven. En die subsidiemogelijkheden zijn schrikbarend afgenomen.”

Anders dan Wilmering en Verhoef heeft Rob Birza geen galerie meer: „Ik ben opgestapt bij Fons Welters omdat ik vind dat hij te weinig doet voor oudere kunstenaars. Ik ben zelf niet goed in netwerken dus ik zoek nu een soort agent die dat voor mij kan doen.” Birza maakte in de jaren negentig een vliegende start met talloze exposities en twee grote overzichten in het Stedelijk Museum: „Ik had het geluk dat twee opeenvolgende directeuren, Wim Beeren en Rudi Fuchs, mijn werk goed vonden. Maar na het vertrek van Fuchs was dat ineens afgelopen.” Verhoef had een soortgelijke ervaring bij het Van Abbemuseum in Eindhoven en zij zijn niet de enigen die meemaakten hoe een directeurswisseling de carrière van een kunstenaar kan beïnvloeden.

Birza geeft de moed niet op. Hij kan nog leven van zijn werk, al zou hij willen dat het wat harder liep.

Beeldhouwer Michiel Schierbeek zag het aantal opdrachten dat hij kreeg na zijn 45ste inzakken. „Maar ik blijf doorwerken, ik weet niet wat ik anders zou moeten doen. Ik ken verschillende kunstenaars die het bijltje erbij neer hebben gegooid. Als je niet heel bekend bent, is het wel moeilijk hoor.”

De ernst van het probleem wordt ook

onderkend door galeriehouders, organisaties als het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB), dat subsidies verstrekt aan kunstenaars, en de Stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR) die betrokken is bij opdrachten voor kunstwerken.

Michiel Hennus, met 68 jaar een van de oudste galeriehouders van Nederland, heeft sinds 1973 de Wetering Galerie aan de Amsterdamse Lijnbaansgracht. Achttien kunstenaars exposeren hier gemiddeld eens in de twee jaar. Meer dan de helft is boven de vijftig.

„Ja”, zegt Hennus, „oudere beeldend kunstenaars hebben het de laatste jaren slechter gekregen. Er zijn nu meer kunstenaars dan vroeger en daardoor komen de ouderen eerder in de knel. Kunstenaars komen meestal jong binnen bij een galerie, als ze succes hebben wordt hun werk aangekocht door musea, bedrijfscollecties, verzamelaars, en op een gegeven moment kan dat allemaal aflopen. Er wordt gezocht naar nieuwe, jonge kunst en die dient zich ook aan, dat is logisch. Maar het moment waarop het terug begint te lopen, breekt nu eerder aan. Dat komt doordat nu meer kunst gekocht wordt van bekende namen die veel publiciteit krijgen. En misschien komt het ook door de opwinding op de kunstbeurzen waar voortdurend nieuwe namen worden gelanceerd. Ik zie regelmatig dat de belangstelling voor kunstenaars die vroeger populair waren, ineens verdwijnt. Ik blijf hun werk wel exposeren, maar het is voor beide partijen niet leuk als je niets verkoopt. Je kunt zeggen: dan moet je voor meer publiciteit zorgen, maar de pers is ook minder geïnteresseerd in hun werk. Ik vind het een wonder om te zien hoe blijmoedig kunstenaars na zo’n terugval blijven doorwerken en leven van wat ze bij elkaar kunnen sprokkelen.”

Erik Bos (53) leidt sinds 25 jaar

Galerie Nouvelles Images in Den Haag, die in 2010 vijftig jaar bestaat. Evenals Hennus laat ook hij oudere kunstenaars met wie hij al lang werkt ‘niet snel schieten’. „Maar als zo’n kunstenaar niet meer verkoopt, en we er alle twee niets aan verdienen, dan kan het ophouden, dat is weleens gebeurd.”

Toen Bos in de jaren tachtig begon bij Nouvelles Images, zag hij hoe het kunstpubliek bij beginnende kunstenaars eerst een tijdje de kat uit de boom keek: „Soms had je vijf jaar nodig om de naam van een kunstenaar te vestigen. Nu gaat dat sneller, sommige galeries tonen elk jaar een nieuwe lichting. Er wordt te veel gehypet: jongeren die net van de academie komen krijgen meteen galerietentoonstellingen en worden opgepikt door curatoren en museumdirecteuren. Ze komen sneller bovendrijven, maar zinken ook eerder, dat beseffen ze te weinig. En als het even wat minder gaat, laten galeriehouders ze weer vallen. Ik houd niet van dat hijgerige. Ik heb liever een galerie waar regelmatig jonge loten aan worden toegevoegd, en oude loten, zoals Kees de Goede, die hier sinds vorig jaar exposeert, of Jerry Keizer, die al in de zestig is.”

Erik Bos zag het aankoopgedrag van verzamelaars in de afgelopen decennia veranderen: „Vroeger was de verzamelaar iemand die de beeldende kunst nauwlettend volgde en op eigen initiatief zijn keuzes maakte. Verzamelaars hebben nu minder oog voor de eigen beeldtaal van een kunstenaar en jongere verzamelaars verdiepen zich er nauwelijks in, ze maken geen weloverwogen afweging meer. Verzamelaars vragen zich nu af: is het een goede investering, heeft meneer A of B ook al werk van deze kunstenaar in zijn collectie, zijn er al museale exposities geweest, is de kunstenaar internationaal doorgebroken en hoe is de prijsontwikkeling? Er zijn nog maar weinig verzamelaars die zeggen: past dit wel binnen mijn collectie? Er wordt nu meer speculatief gekocht.”

Bos noemt de inkomenspositie

van beeldend kunstenaars boven de vijftig ‘niet rooskleurig’: „Er was vroeger meer respect voor oudere kunstenaars, ze telden mee. Maar ze kunnen zelf ook wat doen om hun situatie te verbeteren: ze moeten zichzelf actiever presenteren, laten zien dat ze goed werk maken, op openingen komen, netwerken. En: een website beginnen, dat is belangrijk, daar kijken verzamelaars naar. De jongere generatie kunstenaars stelt zich op als echte ondernemers, ze positioneren zich in de markt, de ouderen verlaten zich weleens te veel op hun galerie. Daar komt bij dat die ouderen een periode hebben meegemaakt waarin kunstenaars meer subsidies kregen. Werk- en studiebeurzen, stipendia. Die bestaan nog, maar in mindere mate. En relatief gaan er meer subsidies naar jongere dan naar oudere kunstenaars. Dat betekent dat die ouderen nu afhankelijker zijn van de markt en dat waren ze niet gewend.”

Lex ter Braak, directeur van het Fonds BKVB, dat de subsidies toekent, kan geen antwoord geven op de vraag of jongere kunstenaars hier meer van profiteren dan oudere: „Het is mogelijk dat er meer subsidies naar jonge kunstenaars gaan, maar hoe die verhouding precies ligt, weet ik niet. Het Fonds is er niet alleen voor jonge kunstenaars, ook ouderen kunnen subsidie aanvragen, maar ik heb de indruk dat ze daar soms geen zin meer in hebben. Het komt ook voor dat het werk van een oudere kunstenaar volgens de normen van de commissie niet vernieuwend genoeg is en dan wordt zo’n aanvraag niet gehonoreerd.”

Ook Ter Braak signaleert dat veel oudere kunstenaars de laatste jaren in het nauw komen: „Galeries en andere kunstinstellingen werken bij voorkeur met jonge kunstenaars en de ouderen dreigen onzichtbaar te worden. Er is nu meer vraag naar kunstenaars die op ad-hocbasis deelnemen aan allerlei manifestaties. Het oeuvre dat een kunstenaar in de loop van zijn leven heeft opgebouwd, telt niet meer zo mee. Het Fonds kan die ontwikkeling niet keren, maar we denken er wel over na. We zijn nu bezig met een pilot-project op de Rietveld academie: middle-aged kunstenaars krijgen daar voor een jaar een gastdocentschap, zodat ze die periode verzekerd zijn van een inkomen, hun kennis kunnen delen met jongeren en zo op een andere manier zichtbaar worden. Volgend jaar willen we dit gastdocentschap aan alle academies aanbieden.”

Op de vraag of de Stichting Kunst en Openbare Ruimte meer opdrachten toekent aan jonge dan aan oude kunstenaars antwoordt adjunct-directeur Tom van Gestel: „Ja, ik denk dat dat waar is. Maar de opdrachtgevers met wie wij samenwerken willen nu eenmaal vaak iets nieuws, ze volgen de trends. En het is de taak van de SKOR om nieuwe ontwikkelingen in de kunst een kans te geven. Ik ondervind wel dat de kunstwereld een economie is geworden. Het ontdekken van onbekend talent heeft prioriteit en oudere kunstenaars worden uit het oog verloren. Jonge curatoren die kunstmanifestaties programmeren weten vaak weinig van de recente Nederlandse kunstgeschiedenis en zijn sterk gericht op hun eigen generatie. Ze willen zich profileren, je hoort ze dan roepen: Ik heb die en die ontdekt.”

Van Gestel vindt dat het tijd wordt

voor speciale maatregelen om de ouderen meer voor het voetlicht te brengen: „Ik zie om me heen hoe ze verkommeren: niets meer verkopen, geen galerie hebben, geen uitnodigingen meer krijgen voor deelname aan exposities of manifestaties. Als je het vergelijkt met vijftien jaar geleden, is er een groot verschil. Alleen kunstenaars die internationaal zijn doorgebroken en een goede galerie hebben, blijven overeind. Er zijn te veel kunstenaars in Nederland en de afzetmarkt is hier te klein.”

Daar komt bij, merkt kunstenaar Michiel Schierbeek op, dat het nu vooral de bedrijfscollecties zijn die niet meedoen aan de kunsthypes: „Bedrijven als Akzo of de Rabobank blijven werk van ouderen aankopen en hun collecties geven vaak een breder en minder eenzijdig beeld van de Nederlandse kunst dan de musea.” Ook hij vertelt hoe museumdirecteuren en curatoren de laatste jaren geobsedeerd zijn door het ontdekken van jonge talenten: „Ze vinden het spannend om die zelf op de kaart te zetten. De omloopsnelheid van kunstenaars is te hoog geworden. Dat heeft ook te maken met het dedain voor ouderen, dat zie je door de hele maatschappij: die babyboomers moeten maar opzouten. Waarom zijn er geen overzichten van Nederlandse kunst meer in de musea? Dan zou je kunnen zien hoe het werk van verschillende generaties zich tot elkaar verhoudt en dan zou ook duidelijk worden dat er nog heel goede dingen worden gemaakt door die ouwen van dagen. Bij Brancusi ga je toch ook niet het werk weggooien dat hij na zijn veertigste maakte?”

Schierbeek: „Ik heb vaak te doen met jonge kunstenaars wie het goed gaat en die zich niet kunnen voorstellen dat het straks ineens omslaat.”

Tom van Gestel van de SKOR: „Er komt nu een ander probleem aan: de vergeten jongere kunstenaars van 35-plus. Want het gaat allemaal veel te snel.”