Op beide fronten smachtten ze naar Lili en Marlene

Liel Leibovitz & Matthew Miller: Lili Marlene. De geschiedenis van het beroemde lied. Mistral, 256 blz. € 17,95

Het populairste liedje van WO II dateert uit WO I. De tekst werd in 1915 geschreven door de jonge militair Hans Leip, op wacht voor een Berlijnse kazerne. Maar het kwam niet in zijn hoofd op er een liedje van te maken. Het werd een gedichtje, waarin hij twee vriendinnetjes – de één heette Lili, de ander Marlene – tot één ideaalbeeld samensmolt.

In 1937 maakte componist Norbert Schultze er een melodietje bij, dat door de gevoileerde zangeres Lale Andersen op de plaat werd gezet. Zo kon Lili Marlene het nummer worden waarin ontelbaar veel soldaten hun heimwee herkenden naar huis en haard, en naar vriendin, verloofde of vrouw.

‘In een oorlog die voornamelijk bekendstaat om de enorme tegenstellingen en de gruwelijke, mensonterende misdaden, verrees dit lied uit de as als een minuscule herinnering aan eenheid, hoop en broederschap’, schrijven de Amerikaanse journalisten Liel Leibovitz en Matthew Miller in hun boek Lili Marlene. Dat is – misschien mede door de vertaling – nogal stroef en onhelder gezegd, maar veel valt er niet op af te dingen.

Het bijzonderste aan dit nummer is immers dat het aan beide zijden van het front evenveel indruk maakte. Eerst aan de Duitse kant, bij het Afrika Korps dat het beluisterde via de soldatenzender Radio Belgrad, en daarna ook in de geallieerde gelederen. Die luisterden eerst mee naar de Duitse versie en raakten al ontroerd zonder er één woord van te verstaan. Zodra de legertop dat merkte, vaardigde veldmaarschalk Montgomery een verbod uit op dit lied van de vijand. Toen dat massaal werd overtreden, verscheen in allerijl een Engelse vertaling.

In feite waren er zelfs twéé versies in het Engels. De Britse werd op de plaat gezet door Ann Shelton (later ook door Vera Lynn). De Amerikaanse werd gezongen door de grote Marlene Dietrich, die niet wist dat er al een Engelse tekst bestond. Dat feit is in het boek trouwens niet te lezen. Ook verder besteden Leibovitz en Miller verbazingwekkend weinig aandacht aan de geallieerde versies. Wel vermelden ze het curieuze detail dat Lili Marlene als oorlogsbuit is behandeld; van de royalty’s ging geen cent naar Leip en Schultze. Zij konden pas na de oorlog meeprofiteren van het succes.

Des te uitvoeriger is het relaas over de Duitse kant, zoals over de vele pogingen – allemaal vergeefs – die propagandaminister Goebbels deed om het in de ban te doen. De man die goeddeels bepaalde wat in het Derde Rijk te horen en te zien was, vond Lili Marlene een sentimenteel lor dat het volk alleen maar slap kon maken. ‘Er klinkt een dans des doods tussen de maten door’, schreef hij. Maar toen hij het verbood, kwamen er zoveel protesten van het front dat de soldatenzender het schielijk in ere herstelde.

De auteurs doen dit alles gedetailleerd uit de doeken. Eén kwestie blijft echter onaangeroerd. Het waren steeds vrouwen die het nummer zongen. Terwijl het in de tekst een man is, die naar zijn verre geliefde smacht.