Met angst terug naar het liefdeloze geboortedorp

El-Mahdi Acherchour: Landwee. Vertaald door Henne van der Kooy. Van Gennep,103 blz. € 11,90

Landwee (zo luidt de vertaling van Pays d’aucun mal) is een mooie vondst voor dit boek van de Algerijn El-Mahdi Acherchour. ‘Roman’, staat er op het omslag, maar Landwee heeft meer weg van een ondoorgrondelijk poëtisch epos dan van wat wij hier in het Westen onder een roman verstaan.

Duister is de wereld waarin Acherchour ons binnenleidt, een wereld waar ‘het kind van begin af aan een demon (is), een voorvader die het huis is binnengekomen en verwarrende gelijkenissen signaleert’. Dit motto is ontleend aan de verfijnde classicus, schrijver en musicus Pascal Quignard en suggereert een terugkeer naar een ooit verlaten wereld, een zoektocht naar de waarheid en het absolute.

‘Daar ben ik weer, thuis, terug in het dorp’, zo begint de verteller zijn relaas. ‘Het is bijna donker. De eerste deur zou de goede zijn, heb ik nog een keer gedacht.’ Maar tastend naar het verleden, puttend uit herinneringen aan zijn kindertijd, ‘steeds dichter bij de plek waar ik vandaan kom en vergezeld door een golf van stank, zie ik de ontelbaar vele deurtjes. Ze zijn niet meer hetzelfde, het zijn geen deuren meer en de huizen zijn geen huizen meer, het is alsof de grote boze reus uit onze sprookjes [...] alles had weggemaaid, zowel binnen als buiten, en iedere adem, iedere verschijning onmogelijk had gemaakt.’ Er hangt een dreiging over deze terugkeer naar het geboortedorp, tegenzin en angst worden voelbaar, onzekerheid groeit, er wordt een liefdeloze wereld betreden.

Tasta-Guilef heet het dorp waar grootvader Moh-Ammar de macht uitoefent, waar ‘boven de moskee was van de Allerhoogste en beneden het Huis van de Duivel’. Grootvader was een autoritaire man, die alleen het gezelschap duldde van zijn hond. ‘Ik weet dat hij daar is’, zegt de verteller over hem, ‘als in de lente van zijn jaren als houthakker, als in het vuur dat [...] jaar na jaar opsteeg uit de laatste winternacht. Hij is hier, in alle elementen, in alle uitvindingen; hij is dat stukje van mij dat zichtbaar is als hij er zelf niet is.’ Ook de identiteit van de ik-persoon blijft in de schaduw: hij spreekt tot zichzelf, tot een gehoor van verwanten of tot de lezer. Die verdwaalt in de verdwaasde nachtmerrie die Acherchour oproept en zoekt naar een verhaallijn. Tot hij dat opgeeft en zich laat meeslepen door de raadselachtige en verwarrende beelden van leegte, onderhuidse angst en een terugverlangen dat op niets lijkt uit te lopen.

Margot Dijkgraaf