Leven in het nieuwe Atlantis

In ‘Meer verleden dan toekomst’ wil historicus Rudolf Dekker de vaderlandse geschiedenis nu eens op een dwarse manier vertellen. Is hij in die opzet geslaagd?

Rudolf Dekker: Meer verleden dan toekomst. Geschiedenis van verdwijnend Nederland. Bert Bakker, 344 blz. € 25,-

Heeft de Nederlandse natie het eeuwige leven? Wijlen Gronings historicus Ernst Kossmann had er twintig jaar geleden al een zwaar hoofd in. ‘De natiestaat’, zei hij in een lezing voor cultuurhistorici, ‘heeft ongetwijfeld iets van zijn kracht ingeboet en zal in de naaste toekomst meer daarvan verliezen, mogelijk zo veel dat hij feitelijk verdwijnt.’

Nadert dat ogenblik? Je denkt het even bij de titel van een nieuw boek van Rudolf Dekker, een historicus die zijn sporen heeft verdiend op het gebied van de egodocumenten. Zijn boek heet Meer heden dan verleden. De ondertitel klinkt nog bouder: Geschiedenis van verdwijnend Nederland.

Anders dan Kossmann, die het einde zag komen van geleidelijke grensvervagingen (globalisering in de economie, Europese eenheid in de politiek), gokt Dekker meer op oorlog en natuurgeweld. ‘Nu de toekomst’, schrijft hij meteen al op z’n eerste bladzijde, ‘onzeker wordt door onder meer de zorgen over toenemende religieuze tegenstellingen en de angst voor het rijzende water, wordt meer zekerheid gezocht in het verleden.’

Nadere toelichting gunt Dekker zijn nieuwsgierige lezers niet. Aan het eind van zijn boek, weidt hij studentikozerig uit over de kans dat we eindigen als het nieuwe Atlantis, en tenonder gaan als een gezonken Vliegende Hollander met het puntje van de Dom als bewijs dat we echt hebben bestaan, waarna zijn metaforische fantasie ook nog de geschiedenis aanroept als ‘de reddingsboei waar de Nederlanders zich aan vast moeten klampen’.Daarmee wil hij kennelijk de notie van zijn eerste bladzij afronden. ‘Om te blijven drijven’, eindigt hij, ‘moet die boei voortdurend opgeblazen worden. Geschiedenis wordt daarom met het jaar belangrijker. Dat maakt Nederland tot een land met meer verleden dan toekomst.’

Het is een treffend voorbeeld van wat de vooroorlogse taalpurist Charivarius ‘op de glibberige paden van de beeldspraak’ noemde. Maar het eigenaardige is dat de auteur het probleem van verdwijnend Nederland, op één korte passage na (‘Indië verloren’) nergens meer expliciet, laat staan serieus aan de orde stelt.

De mogelijke ondergang van staat en volk blijkt dus helemaal niet het eigenlijke onderwerp van een boek, dat zich in de eerste hoofdstukken veel meer op een kritische manier lijkt te willen richten tegen wat Dekker laakt als het schrijven van ‘algemene geschiedenis’. Hij merkt op: ‘In de meeste werken van dat type wordt een standaardverhaal verteld, dat bij elke vertelling maar weinig verandert. Algemene geschiedenis levert bijna altijd middle-of-the-road boeken op.’

Daar zit wat in, ben je geneigd te mee te knikken. De nieuwste nationale algemene geschiedenis – Verleden van Nederland – is het toonbeeld van een net weer met andere nuances verteld standaardverhaal dat de rust en de voorspelbaarheid ademt van het zoveelste Verkade-album. Maar de alternatieve historiografische methoden die Dekker terloops noemt blijven in het boek onuitgewerkt. Er wordt in Meer verleden dan toekomst überhaupt ontzettend veel vaker aangestipt dan dóórgeredeneerd – alsof de schrijver in de eerste plaats een grote verzameling invallen kwijt moest.

Die indruk wordt versterkt door de schotse en scheve manier waarop het boek is gestructureerd. Na de wat valse start en een paar hoofdstukken die naar een proeve van theoretische geschiedenis (met postmoderne trekjes) zwemen, volgen vijf ‘algemene’ verhalen over achtereenvolgens de Tachtigjarige Oorlog, de Gouden Eeuw, de Bataafse Republiek, Nederland en Oranje, en de opmars van het buitenland.

In alle gevallen trekt Dekker van leer als een verteller die uit een totaal ander vaatje zal tappen dan we gewend waren. Maar we wisten toch al lang dat de oorlog tegen Spanje ook een burgeroorlog is geweest, en we hadden na de bronneninventaris van L.J. Rogier toch niet per se Henk van Nierop (met zijn onvolprezen Verraad van het Noorderkwartier) nog nodig om van een ‘smerige oorlog’ tegen katholieken te kunnen spreken? Ook in de andere vier hoofdstukken begint Dekker telkens als een dwarse vernieuwer, om na smakelijk geschreven paragrafen te eindigen als een aangepaste, ‘algemene’ verteller.

Is er sprake van een gemankeerde verhouding tussen hem en zijn collega’s? Tientallen keren schrijft hij over ‘veel historici’, ‘de meeste historici’ of ‘historici’-sec alsof hij God dankt dat hij zelf een ander vak heeft gekozen. En sommige oudere geschiedschrijvers (Kossmann een paar keer) krijgen van tijd tot tijd zomaar een veeg uit de pan. Daar staat tegenover dat auteurs als Chris van der Heijden en Nanda van der Zee als nogal voorbeeldig worden afgeschilderd, en een vergeten romanschrijver als Edouard de Nève door Dekker vanuit het niets wordt ‘gerehabiliteerd’ (met nog een rare lapsus als gevolg: de man was inderdaad gescheiden van Henriëtte van Eyck, maar die trouwde vervolgens juist niet met Simon Vestdijk).

Wonderlijk boek. Je blijft het lezen omdat Dekker over een aangename toon en stijl beschikt, en omdat de losse gedachtenflodders niet zelden prikkelen en amuseren als ze niet ál te los worden.

De staat der Nederlanden zal overigens nog wel even blijven bestaan.