Leraar van Hitlers jonge horden

Direct bij verschijnen in 1937 stond het belang vast van ‘Jeugd zonder God’, over de invloed van totalitaire propaganda op jongeren. Lees de herdruk!

Ödön von Horváth: Jeugd zonder God. Uit het Duits vertaald door Bram van Sonderen. L.J. Veen, 190 blz. €19,90

Voor een scholier met Duits in zijn vakkenpakket is Jugend ohne Gott een ideale roman om op de boekenlijst te zetten. Geschreven in eenvoudig Duits, nog geen tweehonderd bladzijden dik, handelend over scholieren (er komt zelfs een geheime jongensclub in voor) en met een morele boodschap die zo overduidelijk is dat je met je boekbespreking onmogelijk de mist in kunt gaan. En toch is het een erg goed boek.

De Oostenrijks-Hongaarse schrijver Ödön von Horváth, geboren in 1901, schreef toneelwerk en drie korte romans. Een deel van zijn leven woonde hij Duitsland, waar hij als criticus van het opkomend nationaal-socialisme steeds minder vrijheid ondervond. Zijn werk werd verboden en uiteindelijk moest hij naar het buitenland vluchten.

Het literaire en maatschappelijke belang van Jugend ohne Gott, dat in 1937 bij de Amsterdamse Exil-uitgeverij Allert de Lange verscheen, werd onmiddellijk onderkend. De roman werd in acht talen vertaald. Op 19 januari 1938 schreef de recensent van dienst in de Nieuwe Rotterdamsche Courant : ‘In een helder en sterk boek zonder franje heeft Ödön von Horváth [...] de situatie geteekend der hedendaagsche jeugd. [...] Laat niemand, wier de toekomst aangaat van ons volk, dit boek ongelezen laten. Het kan ons de ogen openen, waar dat nodig mocht zijn en ons waarschuwen, eer het te laat is.’

Lang heeft Von Horváth niet van zijn internationale succes kunnen genieten. Op 1 juni 1938 werd hij, wandelend over de Parijse Champs-Élysées, tijdens een plotseling opgestoken storm door een ontwortelde boom getroffen. Een opmerkelijke dood, zeker voor iemand die een panische angst voor storm had, in een droom al eens door een boom was verpletterd, en speciaal naar Parijs was gegaan omdat een waarzegger had voorspeld dat hem daar een ingrijpende gebeurtenis te wachten stond.

Jeugd zonder God is terecht opnieuw uitgebracht, in de vertaling van Bram van Sonderen, met een voorwoord van Arnon Grunberg en een nawoord van auteur Erik Brouwer. De verteller is leraar aan een gymnasium, die met schrik ziet hoe zijn leerlingen verruwen onder invloed van de propaganda die de totalitaire staat over zijn burgers uitstort. Wanneer hij zich bedekte kritiek veroorlooft, wordt hij door leerlingen en hun ouders aangeklaagd. Hij moet voor de rector verschijnen, die hem maant: ‘U schijnt het geheime rondschrijven 5679 u/33 te zijn vergeten! We dienen van de jeugd alles verre te houden, wat op welke manier dan ook haar toekomstige militaire vaardigheden zou kunnen aantasten – ofwel: wij moeten haar moreel op de oorlog voorbereiden. Punt uit!’

Indiaantje

Aanvankelijk houdt de leraar zich dan gedeisd. Tijdens een schoolkamp, dat in feite een militaire vooropleiding is (‘Natuurlijk waren de leerlingen laaiend enthousiast, en wij leraren hadden er ook zin in, want ook wij willen nog graag indiaantje spelen’) wordt een van de jongens – een voorbeeldige fascist – vermoord.

Bij de verwikkelingen die tot de misdaad hebben geleid, gaat onze leraar niet helemaal vrijuit, maar in de daaropvolgende rechtszaak heeft hij niets te vrezen: bij voorbaat is een libidineuze minderjarige dievegge, die in de buurt van het kamp gearresteerd is, als schuldige gebrandmerkt. Wanneer de leraar onder ede moet getuigen, speelt echter zijn geweten op; hij breekt met de lafheid, ten gunste van waarheid en gerechtigheid, en vertelt eerlijk wat er is voorgevallen. Hierdoor raakt hij in diskrediet en verliest zijn baan, maar zijn waarheidsstreven wordt nagevolgd, en dat leidt uiteindelijk tot de ontmaskering van de echte moordenaar.

Jeugd zonder God is geschreven in een bewonderenswaardige stijl die de zakelijkheid in kunst en vormgeving van de jaren dertig weerspiegelt. De alinea’s bevatten vaak niet meer dan één korte zin – een staccato dat in een lange roman saai zou worden, maar hier uiterst doelmatig is. Von Horváths ervaring als toneelschrijver is zichtbaar in de dynamische compositie. Voor de intrige is hij te rade gegaan bij het detectivegenre, en hij heeft zijn verhaal verluchtigd met jong verdorven meisjes.

Maar wat dit boek vooral zo geladen maakt is de levensbeschouwelijke strekking.. Als tegenwicht voor het fascisme grijpt Von Horváth niet terug op de verlichtingsidealen, maar op God. Aanvankelijk is de leraar ongelovig, want hoe zou je kunnen geloven in een God die de Eerste Wereldoorlog heeft toegelaten? De staatspropaganda – ‘Recht is dat, wat het eigen volk ten nutte is’ – strookt weliswaar niet met zijn humanistische waarden, maar zijn verzet blijft passief zolang God niet in zijn leven is.

Geweten

Pas wanneer hij een innerlijke stem hoort die hij als de stem van God herkent, vindt hij de moed om naar zijn geweten te handelen. Hij wordt een beter mens. In Jeugd zonder God is het licht van de rede een bedrieglijk flakkerend schijnsel. De moordenaar is een emotieloos observator, iemand die in zijn natuurwetenschappelijke belangstelling zo ver gaat, dat hij graag eens zou willen zien hoe een mens sterft. En een van de leerlingen verwijt de leraar dat hij ‘altijd alleen maar sprak over hoe het zou moeten zijn in de wereld, en nooit over hoe het er in werkelijkheid is.’ Dat is het koude rationalisme van de jongeren die de horden van de Hitlerjugend zullen vormen. De leraar stelt hier zijn idealisme tegenover, en in een boek waarin de kerk wordt gehekeld, krijgen de idealen langzamerhand toch het gezicht van God.