Lekker klein

Als een bescheiden club uit Nederland het moet opnemen tegen een grote buitenlandse club, dan tonen wij onze andere kant. De gebruikelijke morele superioriteit – kijk ons de bal eens netjes rondspelen – is dan ver te zoeken. Misschien moet je zeggen: dan zijn we even onszelf niet. We vliegen erin als doodnormale jongens, niet als dominees. In plaats van de geheven vinger hanteren wij de botte bijl. Vlijtig en nederig trekken we ten strijde, je weet maar nooit.

Soms levert het nog wat op ook. Beroemde voorbeelden: in 1974 slaagden wij er als FC Amsterdam in het grote Inter Milaan uit te schakelen; elf jaar later versloegen wij als Sparta de topclub HSV Hamburg. Wij, overwinnaars van het Grote Buitenland, kregen een heldenonthaal. Meestal gingen wij de boot in, maar dan wel met de tong op de schoenen. Of met bloed op het shirt, ook wel eens fijn.

Afgelopen woensdag keken we in de spelerstunnel op tegen de grote mannen van, opnieuw, HSV. Die houding hielden wij op het veld manmoedig vast. Ontzag verloste ons van de plicht het goede voorbeeld te geven. Wij waren NEC en dat betekende dat wij alle reden hadden ons lekker klein te voelen. Vol ongeloof over onze deelname aan de UEFA Cup – overwinterd in Europa! wij, het nietige NEC! – renden we dat het een aard had. Meestal hadden we geen idee waarheen, maar dat gaf niet, zolang we maar renden.

Overmand door zenuwen en respect deden we dingen die we anders nooit doen, en veel te snel. Bij corners voor HSV stonden we met zijn allen voor ons eigen doel om te laten zien hoe ijverig wij waren. Liep een tegenstander met de bal aan de voet, dan sprongen wij ertegenaan en vielen wij pardoes weer in het gras. Zo groot waren die gasten. HSV-speler Joris Mathijsen, in het Nederlands elftal een dienstbare, haast verlegen jongen, leek wel een reus. Van deze megaster konden wij onmogelijk winnen.

Met 12.500 man vulden wij ons stadionnetje tot de nok en we maakten een hels kabaal. We waren jong en dik en we droegen honkbalpetjes. En als er iemand van HSV in de buurt kwam, dan gingen onze middelvingertjes omhoog. Man, je had ons moeten zien. Kregen wij de scheids in het vizier, dan gooiden wij van alles naar zijn hoofd.

Als clubje uit Nijmegen konden wij dat heel goed. Een aansteker trof doel. Na onze kansloze 3-0 nederlaag zei trainer Mario Been over het bloedend hoofd van de scheidsrechter: „Misschien was er wel een pukkeltje bij hem opengesprongen.”

Moet kunnen, zo’n grapje. De tegenstander was er groot genoeg voor. Dat had Been, helemaal Onze Mario, goed gezien.