Kleine zondaars in een crisis

Regisseur Johan Simons voegde de tien delen van Kieslowski’s ‘Dekalog’ samen tot de indrukwekkende marathonvoorstelling ‘Tien geboden’. De morele dilemma’s waar de personages mee worstelen, worden tot het uiterste genuanceerd.

Pawel gaat schaatsen met zijn meisje, een engel met glimmend gezicht, blonde krulspeldkrullen en een korte jurk met kerstrood ruitje. Hand in hand staan ze gelukzalig naar de zaal te glunderen, terwijl we luisteren naar de hemelzoete samenzang van de Everly Brothers: „Drea-ea-ea-ea-eam, dream, dream, dream...” Zij warmt zijn hand in haar kruis.

Het toneelstuk Tien geboden duurt vijf uur, en in al die uren krijg je slechts één moment van puur geluk te zien: die schaatsscène. De rest is moeizaam menselijk gemodder: overspel, gluren naar de buurvrouw, vechten om een kind, impotentie, een postzegelverslaving. Het geluk op het ijs is trouwens van korte duur: de jongen zakt door het ijs en verdrinkt.

Tien geboden wordt gespeeld door NTGent. Het stuk is gebaseerd op de Poolse tv-serie Dekalog (1988) van Krzysztof Kieslowski. In de rest van de wereld werd de filmreeks in de bioscoop vertoond. Twee delen werden apart uitgebracht: A Short Film About Killing en A Short Film About Love. Regisseur Johan Simons maakte de toneelversie eerder in twee aparte delen. Nu heeft hij ze samengevoegd voor een indrukwekkende marathonversie van vijf uur (en drie uur pauze).

Kieslowski nam de katholieke versie van de tien geboden als leidraad voor een reeks korte films die zich afspelen in hetzelfde flatgebouw. We zien de verschillende bewoners, meestal kleine zondaars, die in een crisis raken, en daardoor voor een moreel dilemma komen te staan. Een vrouw is bijvoorbeeld zwanger van een ander, terwijl haar onvruchtbare man ernstig ziek in een ziekenhuis ligt. Nu wil ze van de dokter weten of haar echtgenoot zal sterven of niet, om te kunnen bepalen of ze het kind moet laten aborteren.

Decorontwerper Bert Neumann heeft onder enorme bakken wit neonlicht een paar rijen armzalige huisraad bijeen verzameld, als in een uitdragerij. Andermans armoede: goedkope, oude kasten, veel stoelen. Als er seks in het spel is, openen de acteurs omzichtig een opklapbed: symbool van modern passé, armoede, ongemak en menselijk onvermogen. Het decor geeft de spelers de mogelijkheid om soepel en vrij van het ene verhaal naar het andere te zappen. Alles ademt een aangename losheid.

Eerst heb ik de twee delen los gezien. Toen dacht ik dat deel een beter was, want tragischer. In deel twee werd veel van de tragiek weggelachen. Nu ik de marathonversie heb gezien, weet ik dat dit onzin is. Waarschijnlijk komt het doordat het eerste deel eindigt met het ophangen van een moordenaar. Deel twee eindigt met een wilde klucht over postzegelverzamelaars.

In de marathonversie gaan de verhalen op elkaar inwerken, en ontstaat er een geheel. Langzaam ontstaat een rijk, caleidoscopisch beeld van een mini-samenleving, vergelijkbaar met de beste films van Robert Altman. Je ziet tientallen mensen worstelen met hun angsten, en met wisselend succes trachten boven zichzelf uit te stijgen, door hun lot in eigen hand te nemen.

Achter elkaar gespeeld zie je ook het langzaam crescendo dat erin zit: steeds onstuimiger en vrijer wordt het spel, met als hoogtepunt een flinke smijtpartij met stoelen en andere meubels, tot er slechts een berg rotzooi verblijft.

Bij de toneelversie valt wederom op wat de voordelen van toneel zijn vergeleken met film. Natuurlijk, film slokt je veel makkelijker op. Maar het medium zit vrijwel altijd vast aan het psychologisch realisme. Bij toneel komt veel meer make-believe kijken. De toeschouwer kijkt actiever. Simons kan veel meer lagen met tegenkleuren over de vertelling aanbrengen, bijvoorbeeld door aandacht te vragen voor hoe het verteld wordt, en door de tekst te laten botsen met wat je ziet. De spelers zien er bijvoorbeeld geregeld anders uit dan ze worden beschreven in de hardop uitgesproken regie aanwijzingen. En als een verteller over een vrouw zegt: „Ze spoelt haar mond aan de kraan”, is zij een heer aan het pijpen, sierlijk gebogen over het kruis, met één been in de hoogte.

Net als in bijvoorbeeld zijn romanbewerkingen van Houellebecqs Platform en Grunbergs Asielzoeker speelt Simons virtuoos met de wijze van vertellen: de verhalen zijn verwerkt in een prachtig, los mengsel van vertelde en gespeelde scènes. In ieder verhaal zit een verteller, die het soms aan de stok krijgt met de weerspannige spelers. De vertellers vormen een koor van lastige spoken dat de personages vergeefs trachten te negeren. Simons’ beste toepassing van dit procedé zat in Platform, waarin de geest van een zelfmoordterrorist na de aanslag in ondergoed over het podium blijft zwerven.

Opvallend is hoe dominant de vrouwen zijn in deze vertelling. Zij zijn de interessante, werkelijk tragische personages. Zij zijn het die de nodige confrontaties aangaan. De mannen steken hierbij af als platte bijfiguren: geile apen of impotente lulletjes. Of wereldvreemde weifelaars die met pappen en nathouden de vrouwen trachten te kalmeren. Dat ligt ook enigszins aan de bezetting. De uitzonderingen daargelaten, spelen de actrices beter dan de acteurs. Toch opmerkelijk, die dominantie der vrouwen, want het stuk is gemaakt door mannen. Misschien hebben ze geen hoge dunk van de eigen sekse, of is het masochisme.

Uitgangspunt

van Tien geboden is dat God aan de mensen zijn wetten en de vrije wil schonk, om zich vervolgens terug te trekken. Sindsdien moet de onvolmaakte mens het zelf maar zien te klaren. Overspel en moeizame huwelijken vormen het dominante thema. Een goede tweede is het thema ouders en kinderen.

De vraag die Simons vervolgens stelt in zijn stuk is: wat hebben we nog aan de bijbelse geboden in deze tijd? In het Bijbelboek Exodus dicteert God aan Mozes, leider van het rondzwervende Joodse volk, zijn leefregels. Voor Joden en christenen zijn het nog altijd heilige oerwetten. Daarbuiten blijven er ongeveer vijf geboden overeind als algemeen, eeuwig geldig: niet moorden, niet stelen, niet liegen, geen overspel plegen, niet begeren wat van een ander is. Van de andere vijf zijn er drie bedoeld als geloofsregels, om God op de juiste manier te eren. De resterende twee zijn twijfelgevallen. ‘Eert uw ouders’ heeft een aanvulling nodig: eert uw ouders, zolang ze jou ook eren. De invulling van het gebod ‘Geen onkuisheid plegen’ is afhankelijk van de veranderlijke seksuele moraal.

De Nederlandse seksuele moraal is door Karel van het Reve ooit samengevat in de dichtregels: „We vinden alles best/ behalve incest”. Veel van de door Kieslowski opgeworpen morele dilemma’s hebben inmiddels, in het Nederland van 2009, hun scherpe kantjes verloren. Kieslowski schreef zijn verhalen in een onvergelijkbaar andere tijd en plaats, het Polen van de jaren tachtig. Polen zat in 1988, na de mislukte opstand van vakbond Solidarnosc, in een diepe impasse. Er heerste armoede en repressie. Bovendien regeerde een goddeloos communistisch regime over een rooms-katholiek volk, met alle morele spanningen van dien. In Polen waren bijvoorbeeld scheiding en abortus nog zeer omstreden. Alles wat met seks te maken had, moest uit de openbaarheid worden gehouden.

In de voorstelling zijn de tien geboden

eigenlijk slechts een losse leidraad. Tegelijkertijd toont het stuk de waarde en de beperking van Gods wetten. Vaak moet je even zoeken naar het verband tussen het verhaal en het bijbehorende gebod. Vaak blijkt het morele dilemma net even anders te liggen, en heeft het gebod er maar zijdelings mee te maken. In veel gevallen is het antwoord op die morele vragen niet helder, of gaat het antwoord in tegen de heersende moraal. Steeds opnieuw botsen redelijkheid en menselijkheid met de driften en de heersende moraal.

De voorstelling heeft het raamwerk van de geboden nodig als bindmiddel en als kijkwijzer, maar als Tien geboden louter zou bestaan uit tien lessen in moraal, dan zou het wat saai worden. In de beste delen verdwijnt niet alleen het gebod uit het zicht, maar het hele morele dilemma. Of beter gezegd: het morele dilemma wordt drie keer omgedraaid, en zo genuanceerd gepresenteerd dat de moraalridder die in je leeft, het zwijgen wordt opgelegd. Je peinst er over, komt wel of niet tot een oplossing, en dan ga je verder kijken. Je snapt het probleem van de hoofdpersoon en leeft met hem mee.

Zo gaat het in verhaal 7, naar het gebod ‘Gij zult niet stelen’. Stelen mag niet, maar wat als het je eigen kind is? Wat als het eerst van jou is gestolen? Mag je terugstelen? Een tienermoeder eist haar kind terug, dat wordt opgevoed door de oma. Het kind beschouwt echter haar oma als moeder. De tienermoeder ontvoert het kind en probeert het in een hartverscheurende scène te dwingen om ‘mama’ tegen haar te zeggen. Maar zo gaat het niet. De tienermoeder is groot onrecht aangedaan – oma is ook nog veel liever voor het kleinkind dan ooit voor haar – en het doet veel pijn als je kind een ander ‘mama’ noemt. Maar waarschijnlijk is het voor het kind beter als zij bij haar oma blijft.

Het gebod ‘Gij zult niet stelen’ wordt in dit geval genuanceerd, en doet niet meer ter zake. Maar een nieuw gebod: ‘Gij zult handelen in het belang van het kind’ blijft fier overeind. Zo blijft er bij nader inzien wel degelijk een bepaalde moraal overeind.

In het midden van de voorstelling

zit het verhaal van een roofmoord, een deel dat afwijkt van de rest, omdat het hier om meer gaat dan een huiselijk probleem. Het is een opzichtig pleidooi tegen de doodstraf. Dit moorddeel en een andere verhaal, over een Joods meisje dat in de Tweede Wereldoorlog hulp wordt geweigerd, zijn de minst sterke, omdat ze te opzichtig een vehikel voor het morele probleem zijn. Het verhaal over het Joodse onderduikmeisje heeft de vorm van een college ethiek, waardoor het nog sterker een denkstuk wordt.

Ongeveer hetzelfde probleem – te duidelijk een aangeklede denkoefening – speelt bij het laatste deel: na de dood van een postzegelverzamelaar erven de zonen zijn verslaving. Doordat ze de zaak echter veel te bruut overnemen, raken ze de met veel zorg opgebouwde erfenis kwijt.

Toen de tv-serie in 1988 in Polen werd uitgezonden, was dit postzegelverhaal een beschrijving van de corruptie en de zwarte handel waar het land op dreef. Het bleek ook een profetische vooruitwijzing naar wat twee jaar later begon: het ruw en snel invoeren van een maffiose vorm van kapitalisme die enkelen steenrijk en velen straatarm maakte. Nu kun je het zien als een allegorie op de kredietcrisis, waarbij enkele roofbankiers de hele wereld in een crisis storten.

Maar gelukkig is dat een achtergrond die maar even door je hoofd speelt. In de eerste plaats blijft het een zeer herkenbare vertelling over twee onvolwassen jongens die zich liever storten in een jongenshobby dan dat ze opgroeien en hun verantwoordelijk nemen.

Na de pauze volgt het mooiste verhaal: Gij zult geen onkuisheid plegen. Dit is eigenlijk gewoon een liefdesverhaal, zonder moreel dilemma. De vrouw in het verhaal is volgens een bepaalde moraal onkuis te noemen. Maar waarom zou een vrouw zich niet iedere avond door een ander laten neuken als ze eenzaam is? Het helpt niet, maar ze doet er niemand kwaad mee. Wat ze wel doet, is de pure liefdesbeleving van een jonge jongen doden. Dat is geen onkuisheid, maar het is wel tegen de regels.

Een jongen, Tomek geheten, is verliefd op zijn seksueel actieve buurvrouw die hij al een jaar lang begluurt met een telescoop. Een medegluurder heeft haar aangeraden als ‘LWDV (lekker wijf, doet het vaak)’. Dat leidt tot enig theater van de lach, maar het wordt al snel ernstig en droef. Geroerd door de aandacht en de naïeve liefde van de nerd, is de buurvrouw bereid Tomek te ontmoeten. Maar ze vernietigt de puurheid van de jongen in een ontluisterende seksscène. Zij legt zijn hand in haar kruis – een verwijzing naar de allereerste scène van het stuk, met de schaatsers op het ijs. Dat eerste beeld zit vol pure liefde, het laatste is een beeld van ontluistering. Tomek komt meteen huilend klaar. Zij zegt: „Je zei: ik hou van jou. Maar dat bestaat niet. Dit is alles, Tomek, de hele liefde.”

NT Gent: ‘Tien geboden’. Regie: Johan Simons. Tournee t/m 8 april. Info: www.ntgent.be