Jonge moeder op onheilszwanger verlof

Geertrui Daem: Ik bemin u bovenal. Podium, 174 blz. €17,50

Twee geslaagde romans schreef Geertrui Daem. De ene, Koud (2001), werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs; de andere, Olympia (2006) werd in Nederland nauwelijks besproken, maar kreeg in Vlaanderen de prijs die is genoemd naar Louis Paul Boon, de schrijver met wie Daem (Aalst, 1952) tot vervelens toe vergeleken wordt – al was het maar om haar voorliefde voor schoon Vlaams dialect en personages uit de arbeidersklasse.

Je zou bijna vergeten dat Daems grote kracht verscholen ligt in het korte verhaal, het genre waarmee ze in 1992 debuteerde en waarmee ze drie jaar later bijna de AKO-prijs won. Haar voorliefde voor plastische dialogen en troosteloos realisme kwam perfect tot zijn recht in de slices of life in Boniface en Een vader voor Elisabeth. Goed nieuws dus dat er van Daem weer een nieuwe verhalenbundel is verschenen – overigens bij een andere uitgeverij.

Ik bemin u bovenal bevat vijf lange verhalen, de een nog gaver gestileerd dan de andere. Allemaal raken ze aan de wederwaardigheden van het slagersgezin Waeymeersch, waarvan we in het openingsverhaal ‘Duiverke’ de patriarch zien sterven. De andere verhalen zijn geschreven vanuit het perspectief van echtgenote Lenie, dochter Annemarie, kleindochter Mara en – wat verder weg – een verwarde jonge vrouw bij wie Mara een oppasklusje heeft. Dit laatste verhaal is ook het meest dramatisch: Daem verplaatst zich overtuigend in de geest van een jonge moeder die verlof krijgt van de psychiatrische kliniek en een middagje op proef voor haar baby mag zorgen: ‘Ik geloof niet dat het werkelijk gebeurt, omdat ik het niet herken, niets herken van wat ik meemaak en maak ik dit wel mee?’

Zoals de meeste van Daems boeken geeft Ik bemin u bovenal een weinig opwekkend beeld van het moderne Vlaanderen. Slager Waeymeersch voert een gedoemde (en aan Thomas Rosenbooms Publieke werken herinnerende) strijd tegen het grootkapitaal dat zijn winkel probeert op te slokken. Zijn veertigjarige dochter stort zich in de wereld van het internet-daten, en loopt tegen losers en erger aan. Kleindochter lijdt onder het gestrande huwelijk van haar ouders, en oma verpietert in het bejaardenhuis. Het is allemaal opgeschreven met een licht-ironische toets die de ernst van de situaties niet wegpoetst, en in een idioom dat op elke bladzijde wel een beeldend woord of origineel gebruikte zinsnede biedt.

Dat neemt niet weg dat op bijna elk verhaal toch wel iets kleins (of zelfs iets minder kleins) aan te merken is. ‘Duiverke’, waarin een oude man sterft terwijl hij met de duiven op zijn platje bezig is, eindigt té plotseling en loopt over van de (gemakkelijke) symboliek. ‘Gewijzigd profiel’, over de vrouw die via internet afspraken maakt, heeft een niet al te verrassend einde. De ik-figuur van ‘Chillen’, Mara, wisselt authentiek jongerentaalgebruik af met zinnen die je bij iemand van haar leeftijd niet verwacht. En het slotverhaal, over oma, is net iets té sappig Vlaams, té leutig opgeschreven.

Eén verhaal uit Ik bemin u bovenal benadert de perfectie, en dat is ‘Een vierkantje hemel’, over de gestoorde jonge moeder. De vertelstem sleept je mee, de dreiging wordt met de bladzijde voelbaarder en de climax is angstaanjagend, zelfs al zag je hem van verre aankomen. Onheilszwanger, spreektalig, aangrijpend – zo zijn de verhalen van Daem op hun best. De schrijfster verdient het dat er ook in Nederland weer notitie van haar wordt genomen.