Huisje en paleis

Het geheimzinnige witte huisje aan de Weteringschans 30 in Amsterdam is gebouwd in 1842. Het mag dan van onder tot boven met graffiti zijn bezwadderd, het is een monument. Volgens het Kadaster valt het sinds 1988 onder de Monumentenwet en op 23 oktober 1992 is het onder nummer 6401 01 opgenomen in de lijst van grote Amsterdamse monumenten. Het is gebouwd als commiezenhuis. Het ligt vrijwel aan het einde van de Boerenwetering die een belangrijke aanvoerroute voor levensmiddelen was. Wilden de schippers Amsterdam binnen, dan moesten ze eerst langs de in 1668 gebouwde Weteringpoort. Die is in 1841 afgebroken. In plaats daarvan kwam dit huisje. Daar zaten de commiezen aan wie ze tol moesten betalen.

Vorige week heb ik op deze plaats een stukje geschreven waarin ik uitlegde dat sinds ik in Amsterdam woon, nu bijna 59 jaar, dit huisje mijn bewondering, nieuwsgierigheid en vertedering heeft gewekt. Eindelijk, na al die tijd, besloot ik daar eens op inspectie te gaan. Het resultaat was dat stukje, en de volgende dag kwamen de eerste e-mails en daarna nog een stuk of wat brieven. Tientallen historische bijzonderheden ben ik te weten gekomen. Sommigen kregen een gevoel van melancholieke vertedering als ze weer eens naar dit huisje keken. Twee schreven dat ze er als kind hadden willen wonen. Lezers, dank. Het doet de journalist plezier als hij merkt dat hij niet voor niets zit te tikken.

Nu de werkelijkheid. In dit huisje is een rioolgemaal gevestigd. Ik heb ook foto’s gekregen van wat er in de kelder te zien is: machines, buizen waardoor de stadsdrek van A naar B wordt gepompt. Dat is een kleine ontgoocheling. Riolering moet er zijn maar het lijkt mij dat zo’n pompstation een andere architectuur moet hebben, bunkerachtige lijnen. De riolering is tenslotte een vorm van defensie. Maar goed, die installatie is nu in dit minipaleisje gevestigd en daar zal wel niets aan te doen zijn. De enige wens van de briefschrijvers is dat het eens wordt schoongemaakt.

Ik wilde weten hoe het er in een vroegere omgeving heeft uitgezien, en daarom keek ik in de fotoboeken van Jacob Olie. Geen huisje gevonden, maar dat overkomt je met het oeuvre van Olie: ik raakte wel verloren in het Amsterdam van de negentiende en begin twintigste eeuw. En zo kwam ik al gauw op mijn andere stokpaard: het Paleis voor Volksvlijt (afgebrand in 1929) en de daaromheen gebouwde Galerij. Gesloopt in het begin van de jaren zestig. Een van de grootste wandaden die een Amsterdams stadsbestuur ooit voor zijn rekening heeft genomen. Er is nog een reddingscomité geweest onder leiding van architect Wiek Röling, maar het was te laat. De vernietigingscolonne had zich al in beweging gezet. Ik heb erbij gestaan toen dit wonder van architectuur aan puin werd geslagen, omdat daar De Nederlandsche Bank moest komen.

Op initiatief van Wim T. Schippers, voor wiens optimisme geen zee te hoog gaat, is een paar jaar geleden een comité opgericht tot sloop van de Bank en herbouw van de Galerij. Uit de beste bron weet ik dat Nout Wellink, directeur van de Bank, geen principiële bezwaren heeft, maar wel praktische obstakels ziet. Het probleem zit hem in de kelders waar het goud wordt bewaard. In deze tijd van crisis moet daar een mouw aan te passen zijn. Sloop en herbouw zouden het opzienbarendste publieke werk van deze tijd kunnen zijn. Maar maak eerst dat Commiezenhuisje schoon. Dat hoeft niet veel te kosten.