Hoe futiel is dan het literaire bedrijf

L.H. Wiener: Herinneringen aan mijn uitgevers. Contact, 176 blz. €16,95

De schrijver L.H. Wiener (1945) schetst in Herinneringen aan mijn uitgevers een meedogenloos zelfportret. De meeste autobiografische geschriften zijn ijdel en apologetisch, Wiener, auteur van schitterende korte verhalen en twee prachtige romans, zet zichzelf echter neer als wraakgierige, verongelijkte, dreinerige en manische egotist. Het boek bestaat uit brieven aan en van Wieners talrijke uitgevers en redacteuren waar de honden geen brood van lusten, ware het niet dat Wiener als altijd schrijft in een fabuleuze stijl.

Herinneringen aan mijn uitgevers is niet alleen interessant op anekdotisch niveau, als curieus inkijkje in het benarde wereldje van uitgevers en hun relaties met schrijvers, relaties die – als commercieel succes uitblijft – al snel een gespleten, half vijandig karakter kunnen krijgen. Het boek is ook voor wie zich niet bekreunt om het geneuzel in het literaire bedrijf een psychologisch en literair boeiend document.

Wiener heeft decennia lang geleden onder gebrek aan erkenning en ernstige paranoia. Al die tijd worstelde hij bovendien met een merkwaardige zinsbegoocheling. In zijn novelle Paranoia judaica uit 1970 figureert een jongetje van wie de schooljuf sterft nadat ze hem opzettelijk pijn heeftgedaan. Daaraan ontleent het kind de overtuiging dat iedereen die hem kwaad berokkent snel dood gaat.

De auteur leed of lijdt aan eenzelfde soort dwanggedachte. Vrijwel iedereen met wie Wiener in conflict kwam, of door wie hij zich onheus bejegend voelde, moest dit met persoonlijke rampen bekopen.

Zijn eerste redacteur bij Meulenhoff, Willem Bloemena, tot en met Adriaan Jaeggi van uitgeverij Thomas Rap en velen daar tussen vielen na aanvaringen met Wiener ten prooi aan verdriet, ziekte en dood.

Het meest aangrijpende geval is dat van Bloemena, die zich na een verloren proces over Wieners debuutbundel Seizoenarbeid unfair tegen de schrijver had gedragen. Zijn zoontje werd kort daarop door een pedofiele tijdschriftencolporteur vermoord. Van Wieners kant kon er nog geen condoleancebriefje af.

Nu, vele jaren later, brengt hij dan toch nog ‘een saluut’ aan Bloemena: ‘Weet dat ik op afstand je onmachtige smart heb gevoeld, toen er na de afschuwelijke dood van je zoon Basje voor jou niets meer van wezenlijk belang resteerde. En weet dat ik sedertdien aan onze omgang en onze verwijdering nog slechts heb kunnen denken met gevoelens van deemoed en gêne. Hoe futiel is dan het literaire bedrijf.’

Dat kun je wel zeggen. De lezer constateert dat Wiener een nare, louter op zichzelf gefixeerde hork is. Maar hij is ook een gekwelde geest. Als een boekhouder van andermans tekortschieten (jegens hem) heeft hij alles gearchiveerd wat hem ooit is aangedaan, met als apotheose een haatbrief tegen uitgever Mai Spijkers. ‘Vergiftigd door gevoelens van minderwaardigheid en een daarmee gepaard gaande tomeloze ambitie’, ontwikkelde Spijkers zich volgens Wiener tot ‘de meest gewetenloze uitgever die in Nederland ooit in de rondte heeft gegraaid.’

Als Wiener niet zo geobsedeerd was geweest door miskenning, níet aan deze genadeloos geëtaleerde achtervolgingswaan had geleden, wél vroeg succes had gehad en was gekoesterd en gestimuleerd, wat zou er dan van dit schrijverschap zijn geworden?

Voor wie niet in de achterklap en rancune is geïnteresseerd, maar wel in de literatuur, is dit een intrigerende vraag. Misschien was Wiener dan niet zo’n briljante schrijver geworden.