Hoe de musicus opklom van slaaf naar superster

Tim Blanning : The Triumph of Music. The Rise of Composers, Musicians and Their Art. Allen Lane/Penguin, 416 blz. € 38,25

‘Muziek verrijkt ons en raakt onze diepste emoties.’ Zo besloot acteur Denzel Washington zijn toespraak op het inauguratieconcert voor Barack Obama in Washington, dat de allure had van een groots popfestival met honderdduizenden bezoekers. Soul, de indringende voice van de Amerikaanse Burgerrechtenbeweging, vormde er het muzikale bindmiddel tussen de sterren, onder wie Stevie Wonder, Bruce Springsteen, Bono, Usher, Shakira en Beyoncé.

De muziek voor Obama was veel méér dan een feestelijke opluistering van zijn inauguratie. De triomf van Obama vloeide samen met de triomf van de ‘zwarte’ muziek, die meer nog dan de toespraken en de beelden van John F. Kennedy en Martin Luther King, heftige emoties opriep en de hoop op een betere toekomst verklankte: ‘We are one’.

Tim Blanning, gezaghebbend historicus van de Cambridge University, zou zijn boek The Triomf of Music. The Rise of Composers, Musicians and Their Art zeker begonnen zijn met het concert voor Obama, als het niet al eind 2008 was verschenen. Nu begint hij zijn betoog over de opkomst en suprematie van muziek met het Gouden Jubileum van Queen Elizabeth in 2002. Ook haar ‘Party at the Palace’ had de allure van een popconcert voor de massa, waarbij de verering van de koningin bleekjes afstak tegen de idolate reacties op sterren als Elton John.

In hoeverre de Queen en Obama muziek ‘misbruiken’ voor hun eigen politieke doeleinden, is een van de vele kwesties waarover de erudiete Blanning zich op onderhoudende wijze buigt. In vijf thematische hoofdstukken benadert hij de muziek vanuit een historisch-sociologische context, zonder daarbij musicologische waardeoordelen uit te spreken. In ‘Status’ laat hij zien hoe de musicus door de eeuwen heen van slaaf en bediende opklom tot charismatische held en tenslotte superster. In ‘Purpose’ volgt Blanning de culturele betekenis van muziek voor kerk, hof en staat, in samenhang met de positie van de musici. ‘Places and Spaces’ schetst de opkomst van operahuizen en concertzalen, waarna Blanning in ‘Technology’ de ontwikkelingen van Stradivarius tot Stratocaster-gitaar koppelt aan de ‘electrificatie van muziek’, van radio tot iPod.

In ‘Liberation’, tenslotte, laat Blanning zien hoe muziek de wereld kan helpen veranderen: van de revolutionaire Marseillaise tot aan de bevrijdende soul, van Rule Britannia tot aan de rebellerende muziek van de jeugd. Dat hij daarbij middeleeuwse troubadours, avantgarde-muziek en rappers over het hoofd ziet, valt hem nauwelijks aan te rekenen: zijn onderwerp is te groot voor één boek.

Als het gaat om status, macht en het bespelen van massa’s is muziek een machtig wapen. Dat was al bekend bij Plato, die waarschuwde voor de dwingende kracht van muziek en ritme ‘die hun weg vinden tot in de geheime plaatsen van de ziel’. Bach, de grootste componist die ooit geleefd heeft, schreef muziek ter meerdere eer en glorie van God. Haydn componeerde in dienst van de Esterhazy’s, voor wie hij de status had van een bediende. De geniale Mozart liet zich niet meer als slaaf behandelen, en werd in Salzburg letterlijk het hof van de aartsbisschop uitgeschopt. Als ‘vrij kunstenaar’ avant la lettre vestigde hij zich in Wenen, aanvankelijk met succes, maar zijn korte leven eindigde in een armengraf. Nog geen halve eeuw later bracht de dood van Beethoven massa’s bewonderaars van alle rangen en standen op de been, die hem een majestueuze uitvaart bezorgden. Naarmate de absolute macht van kerk en keizer steeds meer in twijfel werd getrokken, bood muziek – volgens Schopenhauer de hoogste kunstvorm – soelaas voor religieuze devotie. Beethoven, die met zijn emotionele en expressieve muziek de verpersoonlijking was van het romantische genie, bereikte als eerste musicus de sterstatus. In Londen werd Händel schatrijk met ‘publieke concerten’ en de publicaties van zijn werk.

Zo vervolgde de triomftocht van de muziek zijn weg via Rossini, Paganini, Liszt en Wagner, tot aan jazzmusici als John Coltrane, voor wie muziek ‘very deep’ ging, een kwaliteit waarop ook Denzel Washington doelde in zijn toespraak voor Obama. In de woorden van Coltrane: ‘Mijn muziek is de spirituele uitdrukking van wat ik ben – mijn geloof, mijn kennis, mijn zijn.’