Hij had lak aan kerkelijk gezag

Iedereen was een beetje goddelijk, vond filosoof Giordano Bruno.De herdenking van zijn terechtstelling door inquisiteurs is ‘een lange neus naar het Vaticaan’.

Ingrid D. Rowland: Giordano Bruno. Farrar, Straus and Giroux, 335 blz. € 27,-

Afgelopen dinsdag was het weer zover: ter herdenking van de sterfdag van Giordano Bruno, die op 17 februari 1600 op het Romeinse Campo de’ Fiori wegens ketterij levend verbrand werd, werd bij zijn standbeeld op het plein een krans gelegd namens het gemeentebestuur van Rome. Die krans, en de talloze anonieme eerbewijzen die het standbeeld ieder jaar op die dag ten deel vallen, dienen niet alleen om de herinnering aan de filosoof en vrijdenker levend te houden; volgens zijn biografe, de Amerikaanse historica Ingrid Rowland, is de ceremonie ook een lange neus richting het Vaticaan.

Het beeld werd in 1889 geplaatst – toen Bruno door de katholieke kerk nog altijd als een ketterse figuur werd beschouwd. Zelfs nog in 1942 werd van daaruit verkondigd dat de ketterse priester terecht was veroordeeld, ook al mochten bij de wreedheid van zijn dood kanttekeningen geplaatst worden. Tegen de verwachting in werd Giordano Bruno ook in het jubileumjaar 2000 – zijn vierhonderdste sterfjaar – niet gerehabiliteerd. Terwijl de minstens even omstreden Galileo al in 1983 door Johannes Paulus II vergiffenis werd geschonken, werden de denkbeelden van Giordano Bruno ook aan het begin van het nieuwe millennium door de kerk als te afwijkend beschouwd om hem weer te omarmen, al werd omzichtig spijt betuigd over zijn veroordeling – omzichtig omdat de bisschop die zijn dood op zijn geweten had, inmiddels heilig was verklaard.

Wat waren die denkbeelden nu precies? Rowland stelt dat het gruwelijke einde van Bruno bekender is dan waar hij voor stond. Haar boek wil een nauwgezette reconstructie van zijn Werdegang zijn. Die is niet gemakkelijk te volgen: Bruno, die in 1548 in Nola, bij Napels, werd geboren, was een man die zich tussen veel werelden bevond en tot op de dag van vandaag moeilijk te plaatsen is. Op zijn vijftiende trad hij in Napels toe tot de orde van de Dominicanen, die stevig in de scholastieke traditie van Thomas Aquinas stonden, maar Bruno zelf voelde zich al gauw aangetrokken tot de meer speculatieve traditie zoals die werd beoefend in het Augustijner klooster San Giovanni a Carbonara, aan de rand van de stad. De eerste stroming richtte zich op Aristoteles, de laatste op Plato. Daarbij bleef Bruno volgens Rowland altijd een plattelandsjongen; zijn idealistische, alomvattende gedachten over het wezen van het universum werden getemperd door een aards realisme, uitgeleefd in dialogen en kluchten.

Al die invloeden zijn terug te vinden in zijn geschriften. Daarbij begaf Bruno zich in speculaties over de oneindigheid van de kosmos op het gebied van de astronomie, zonder dat hij, zoals Galileo na hem, over een gedegen wetenschappelijke taal beschikte. Daardoor zijn zijn theorieën eerder het resultaat van platonische gedachtenexperimenten dan van onderzoek en berekening. Rowland: ‘Bruno’s veelzijdigheid – deels dichter, deels kunstenaar, deels natuurfilosoof, deels moralist, deels theoloog – maakt het moeilijk om hem in te passen in hedendaagse opvattingen over wetenschap.’

Wat nu geldt, gold tijdens zijn leven des te meer: Bruno paste nergens. Zijn biografie is die van een man die telkens verjaagd wordt. Op iedere plaats waar hij zich vestigt, stoot hij na verloop van tijd onherroepelijk mensen tegen het hoofd. Hij wordt uitgelachen, uitgestoten, opgejaagd. Al tijdens zijn opleiding tot priester wordt hij verdacht van protestante neigingen omdat hij het beeld van de Madonna uit zijn kloostercel verwijdert. Een paar jaar later wordt hij verdacht van het ontkennen van de goddelijkheid van Jezus. In dezelfde tijd groeit zijn reputatie als geheugenkunstenaar. In Rome mag hij zijn talenten aan de paus tonen; later, in Parijs, onderwijst hij de Franse koning Henri III in de kunst van het onthouden.

Rowland doet een poging Bruno’s methode uit te leggen, maar ze geeft toe dat zijn geschriften over het onderwerp niet helemaal helder zijn – ze vermoedt dat hij op papier niet al zijn troeven wilde uitspelen. Bij zijn geheugenkunst maakte hij gebruik van een eindeloze reeks associaties en voorstellingen, ondergebracht in opgedeelde cirkels of imaginaire gebouwen. Meer nog dan een handig hulpmiddel is Bruno’s geheugenkunst vooral een middel om zijn geest verbonden te weten met het universum. Want tijdens zijn jarenlange omzwervingen – Rome, Genua, Genève, Parijs, Londen, Oxford, Frankfurt, Padua, Venetië – raakte hij steeds meer doordrongen van een mystieke verbondenheid van het allerkleinste met het allergrootste. De wereld, ontdekte hij, bestond uit onzichtbare, elementaire deeltjes – en er waren talloze werelden. Bruno was een aanhanger van Copernicus, maar ging verder: zoals ons zonnestelsel waren er ontelbare. In zo’n wereldbeeld was geen plaats voor katholieke orthodoxie. Volgens Bruno was alles en iedereen een beetje goddelijk. Het maakte niet uit via welk geloof je van die wetenschap doordrongen raakte.

Terug in Venetië werd hij op last van een plotsklaps vijandige weldoener gearresteerd op verdenking van ketterij. Voor een veroordeling waren twee getuigen nodig, dus aanvankelijk zal Bruno zich weinig zorgen hebben gemaakt, ook omdat het klimaat in de stad veel toleranter was dan in Rome. Maar het waren onzekere tijden: de dreiging van het protestantisme en de vitaliteit van het Ottomaanse rijk veroorzaakten een paranoïde obsessie met ketterij en afvalligheid. Bruno werd uitgeleverd aan Rome. Daar zat hij acht jaar gevangen voordat hij op de brandstapel werd gezet.

Rowland vermoed dat Bruno een te geziene figuur was om hem haastig te kunnen veroordelen – en ook dat zijn filosofische geschriften gewoon te moeilijk waren om er klinkklare ketterij van te maken. Het was de jezuïet Roberto Bellarmino die acht punten uit Bruno’s geschriften destilleerde die door hem moesten worden herroepen. Bruno weigerde.

Maar hij, stelt Rowland in haar goed geschreven biografie, werd vooral veroordeeld omdat hij de autoriteit van zijn rechters betwistte: volgens hem was het niet aan de inquisiteurs om te beoordelen wat ketters was en wat niet. Dat Bruno tornde aan geloofsartikelen was erg, dat hij het gezag van de kerk niet wilde erkennen, was onvergeeflijk.