'Fictie maakt mij veel eerlijker'

Verhalenschrijver Tobias Wolff haat Bush, is hoopvol over Obama, wil nooit meer terug naar Vietnam, laat graag de teugels vieren in zijn verhalen en en vindt dat vrouwen in zijn werk niet zijn ondervertegenwoordigd.

Eigenlijk wil de auteur het liefst over politiek praten, wat bijzonder is voor iemand die allerminst bekend staat om zijn politieke betrokkenheid. Hij kan er, ook na de verkiezing van Obama, nog steeds niet over uit wat voor schade het vorige bewind zijn land heeft berokkend. „Het was een gruwel. Een ramp. Als ik van collega’s hier op andere faculteiten hoor hoe het niveau van internationale samenwerking verminderd is, vooral omdat buitenlandse wetenschappers geen zin meer hadden hiernaartoe te komen... Het gaat heel moeilijk voor Obama worden, he’s walking into a shit-store. Ik ben wel hoopvol, maar niet optimistisch. Vannacht had ik een nachtmerrie, waarschijnlijk naar aanleiding van Obama’s statement dat hij niet meer zou roken in het Witte Huis. Ik droomde dat hij toch weer zou beginnen en dat hij rokend in slaap zou vallen en het Witte Huis zou afbranden. Net toen vervolgens de slavernij weer in ere was hersteld, werd ik gelukkig wakker.”

Tobias Wolff (geboren in Alabama in 1945) schatert het uit en ontspant zich achter zijn bureau in de Letterenfaculteit van Stanford University in Californië, waar hij creative writing en een hoorcollege Introduction to the Humanities geeft. Wit haar, witte snor, een lang lichaam dat nog steeds op een militaire manier lijkt afgetraind. Het wintert in Californië, maar toch is het buiten al even zonnig als het humeur van de auteur. Zijn laatste boek Our story begins, een verzameling nieuwe en oude verhalen, heeft hem vorig jaar geweldige recensies opgeleverd en werd in diverse eindejaarslijstjes tot de beste boeken van 2008 gerekend.

Wolff vatte de kern van zijn schrijverschap samen in twee motto’s: een citaat van de dichter Mark Strand bij de roman Old School: ‘Why did you lie to me/ Because the truth lies like nothing else and I love the truth.’ En een aforisme van Oscar Wilde aan het begin van This boy’s life: ‘The first duty in life is to assume a pose. What the second is, no one has yet discovered.’ Zijn werk wordt bevolkt door nogal wat leugenaars, fantasten en mythomanen, inclusief de schrijver zelf in This Boy’s Life. Het lijkt wel alsof Wolff zo’n pose beschouwt als een voorwaarde voor een schrijverschap.

Tobias Wolff: „Dat laatste, het vermogen om te fantaseren en te verzinnen, hoort er zeker bij. Maar als schrijver gebruik je je verbeelding om de waarheid te benaderen. Laatst zat ik in een panel met een vrouw die zei: ik lees nooit fictie, alleen memoires, omdat ik geïnteresseerd ben in de waarheid. Waarop ik antwoordde: maar dan leest u de verkeerde boeken! De verleiding om te liegen is bij het schrijven van memoires veel groter dan bij fictie. De sluier die de fictie je toestaat, maakt dat je in feite veel eerlijker bent. Toen ik mijn herinneringen opschreef, vond ik het onverwachts moeilijk mezelf bloot te stellen aan de lachlust en zelfs minachting die onvermijdelijk zijn als je de waarheid over jezelf geacht wordt te vertellen. Ik ben geïnteresseerd in de waarheid en voor mij is fictie de beste manier om die benaderen.”

Tobias Wolff weet waarover hij het heeft: hij publiceerde enkele bundels verhalen, een roman en twee delen memoires: één over zijn jeugd en één over zijn diensttijd in Vietnam. Op welk punt besluit hij of iets fictie wordt of memoires? Want bij hem is vaak moeilijk te onderscheiden waar het een ophoudt en het ander begint. Wolff ontkent dat laatste: „Het lijkt alsof het dicht bij elkaar ligt, maar dat is niet zo. Het is een beslissing die je aan het begin van het proces moet nemen. Je kunt niet balanceren op die grens. Ik geef toe dat ik in veel verhalen autobiografische elementen gebruik, maar er is altijd iets wat meer naar verbeelding neigt. En ook de constructie onderscheidt het verhaal van het domein van de memoires. Toen ik aan This Boy’s Life begon, wilde ik eerst een roman schrijven, maar alles bleef zo vlak en eendimensionaal dat ik besloot alle fantasie eruit te gooien en er memoires van te maken. Bij Pharaoh’s Army heb ik die verleiding nooit gekend, dat is altijd als memoires bedoeld geweest. ”

Pharaoh’s Army (ondertitel: Herinneringen aan een verloren oorlog) is misschien wel zijn beste boek, het relaas van de loopbaan van iemand die weliswaar een Groene Baret en een paratrooper was, maar toch bij uitstek ongeschikt bleek voor het militaire bestaan. Wolff praat er, in het licht van de gruwelen die in Vietnam zijn aangericht, op tamelijk neutrale toon over.

„Het geestigste wat je altijd hoort over het leger is dat ze daar een man van je maken. Een man? Laat me niet lachen. Als er één plek is waar je je adolescentie kunt oprekken is dat het leger. Alles wordt voor je geregeld, je hoeft nooit eten klaar te maken, te beslissen wat je aan zult trekken, je zorgen te maken over een dak boven je hoofd en ga zo maar door. Dus: als je er op je 22ste uitkomt, heb je de mentaliteit van een 18-jarige. Dat mijn besluit volwassen te worden op die leeftijd viel heeft daar alles mee te maken.”

Hoe komt het dat u het boek pas 22 jaar na terugkomst schreef?

„Ik had mezelf voorgenomen er helemaal niet over te schrijven, er was al zoveel goede literatuur over verschenen. Maar ik schreef wel wat korte verhalen over Vietnam, en na het verhaal dat nu het openingshoofdstuk is, kreeg het onderwerp me helemaal te pakken. Nee, ik heb nooit de neiging gevoeld terug te gaan. Een vriendin van me woont nu in Hanoi – alweer iemand die is vertrokken toen Bush herkozen werd – en zij nodigt ons af en toe uit, maar ik ga niet. Het is voorbij voor mij.”

Pharaoh’s Army is ook interessant omdat de laatste confrontaties met Wolffs vader, een onverbeterlijke leugenaar en kleine oplichter, er doorheen geweven zijn. En hoe liefhebbend Wolff ook over zijn vader schrijft, er is ook een moment waarop hij besluit dat hij niet zo wil zijn als hij.

„Ik zal dat moment nooit vergeten. We liepen op straat en al pratende stapte hij op een geparkeerde sportwagen af, opende de motorkap, sneed de filter aan beide zijden los, en stopte hem, gewikkeld in zijn zakdoek, in zijn zak, alsof de auto hem toebehoorde. Hij liep al pratende door alsof er niets gebeurd was. En toen realiseerde ik me ineens dat ik me schaamde, dat ik niet zo wilde zijn als hij. Ik besefte dat hij niet eens wist dat het verkeerd was wat hij deed. En hoewel ik niet wil beweren dat ik sindsdien een smetteloos leven heb geleid, was dat wel een keerpunt, ja.”

Pharaoh’s Army speelt zich af in Vietnam en Amerika, maar eindigt in Oxford, Engeland, waar Wolff zich voorneemt serieus aan een schrijverscarrière te beginnen. En dat is een onverwachte wending in het boek, zoals ook veel van zijn verhalen een voor lezers verrassende wending krijgen en eindigen op een totaal andere plek dan waar ze begonnen waren.

Heeft u die wending in uw hoofd als u aan het verhaal begint, of doet die zich als het ware voor?

„Soms heb ik de hele boog wel in mijn hoofd, maar het gebeurt inderdaad vaak dat, terwijl ik aan het schrijven ben, het slot wordt ingeruild voor iets wat zich dwingender voordoet, iets wat meer in overeenstemming is met de morele logica van het verhaal. En dan moet ik me overgeven, me het verhaal opnieuw voorstellen en afzien van de oorspronkelijke blauwdruk. Schrijvers moeten de teugels heel erg los houden in de eerste fase van een boek en dat kan inhouden dat je je oorspronkelijke idee moet opgeven. En dat doe ik regelmatig, ik blijf openstaan voor de verrassingen die ik mezelf presenteer.”

Is er ooit een vrouw geweest die zich beklaagde dat u een ‘mannenschrijver’ bent? Want zoveel van uw werk gaat over ‘male bonding’ of juist het falen daarvan, tussen soldaten, schoolgenoten, vrienden, jagers...

Na enige aarzeling: „Ja, dat gebeurt, maar is het wel zo? Er komen veel vrouwelijke hoofdpersonen in mijn boeken voor, allereerst mijn moeder natuurlijk, en in een verhaal als ‘In the Garden of the North American Martyrs’ neem ik bewust een vrouwelijk perspectief, terwijl het iets is wat ik zelf heb meegemaakt. Ik probeer het dus wel degelijk, maar meestal schrijf je toch het best over dingen die dicht bij je eigen ervaring liggen.”

Uw verhalen zijn de afgelopen decennia in verwarrend overlappende edities verschenen. Wanneer komt er een volledige editie?

Wolff klopt op het exemplaar van Our Story Begins dat op zijn bureau ligt. „This is as definitive as it gets. Ik krijg natuurlijk heel binnenkort spijt dat ik een paar verhalen niet of juist wel heb opgenomen, maar dat moet dan maar. Dit is mijn keuze. Na mijn dood” – er verschijnt nu een wat sluwe uitdrukking op zijn gezicht, alsof ook daar nog wel wat vraagtekens bij te zetten zijn – „is het een andere kwestie. Dan moet ik het uit handen geven.”

Guido Golüke’s vertaling van Tobias Wolffs ‘Our story begins’, getiteld ‘Hier begint het verhaal’, verschijnt in het voorjaar van 2010 bij uitgeverij Atlas. Zie nrcboeken.nl voor recensies van Tobias Wolffs werk.