Een lijk in de kast

Zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen. Dat streefde voorvechter van dierenrechten Jeremy Bentham na. Maarten Doorman en Fredie Beckmans bezoeken graven van filosofen.

Op een gang van een van de beste universiteiten ter wereld, het University College London, staat een kast. In die kast zit een man. En die man is Jeremy Bentham.

Jeremy Bentham? De filosoof? Die is toch allang dood?

Ja, maar niettemin zit hij in een mahoniehouten kast achter glas, in zijn wat mottig geworden en te ruim vallende kleren, met een wandelstok tussen zijn benen en een grote strooien hoed. Alleen zijn hoofd is niet echt, terwijl het daar bij een filosoof normaal gesproken juist om gaat.

Het was evenwel niet goed geprepareerd en viel eraf. Dus maakten ze een kop van was en zetten ze het echte hoofd met de lange grijze piekharen tussen zijn voeten. Geruchten willen dat studenten inbraken en ermee voetbalden. Het werd een keer teruggevonden in een bagagekluis op Aberdeen Station en nu ligt het in een kluis. Wie er de foto’s van ziet kan nachten niet slapen.

Bentham was voorvechter van dierenrechten, een feminist avant la lettre en een utilitarist: zijn radicale filosofie was gericht op zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen. Dan moet je niet kinderachtig zijn en je inderdaad afvragen of anderen na je dood nog iets aan je lichaam hebben. Eerst liet de excentrieke filosoof daarom de weke delen in een serie anatomische lessen als demonstratiemateriaal gebruiken, waarbij op zijn verzoek vrienden en kennissen aanwezig waren.

Vervolgens moesten ze het geraamte en wat er nog op zat in zijn dagelijkse kleren hijsen en uitstallen. Dat had hij in het opstel Farther Uses of the Dead to the Living een Auto-Icon genoemd: „Een man die zijn eigen beeld is.”

De kast staat wat opzij in de gang, met een bezem erachter. Af en toe sloft een bellende student langs het lijk, of komt er iemand met een ratelend koffiekarretje voorbij. Slechts een enkele keer krijgt hij de aandacht waar hij in zijn bizarre testament om vroeg en wordt hij uitgenodigd ergens aan te zitten. Op 24 februari 1953 bij de Benthamclub bijvoorbeeld.

De annalen van de universiteit vermelden dat hij op het eeuwfeest en het honderdvijftigjarig jubileum van het College aan het hoofd van de tafel werd gezet, recht tegenover de Provost. In de notulen van zo’n vergadering staat dan: „Jeremiah Bentham, present but not voting.”

Maarten Doorman