Een biefstuk voor mijn hartzeer

Een schrijver-hoer die zijn klanten streelt, kittelt en vervolgens uitscheldt – zo zag Multatuli zichzelf graag.

Pieterse zoekt het binnenste van zijn schrijverschap.

Is de schrijver een hoer? Is schoonheid de vijand van de literatuur en de lezer, zoals een lekker pasteitje de vijand van de gezondheid kan zijn? Is de lezer een kannibaal? Dit zijn slechts enkele vragen die Saskia Pieterse stelt in De buik van de lezer, haar dissertatie over Multatuli’s Ideeën. Het zijn vragen die iedereen die nadenkt over schrijven en lezen aangaan. Maar laten we eerst kijken wat Multatuli zelf beweerde. In een brief aan zijn uitgever schreef hij: ‘Zij willen dat ik hoer ben, – ik zàl hoer zijn, een hoer die streelt en kittelt. Maar ik scheld mijn klanten uit! Dat’s wat nieuws in ’t hoerwezen.’ Ook in zijn Minnebrieven komt Multatuli terug op dat kittelen en strelen: ‘Ik heb de macht, u te strelen en te kittelen, tot ge zo gek wordt dat gy den prys uwer koffie vergeet, gy, die anders zo hard zyt van huid, dat de zweep er van kermt!’

Als hier een hoer aan het woord is dan toch eentje van wie zich een zekere wanhoop meester heeft gemaakt. Voor de schrijver-hoer zijn zijn woorden zijn lichaam, het vlees is woord geworden, en uit het lichaam van deze schrijver-hoer stijgt het parfum van rancune op. Wat de zweep niet is gelukt, dat kan de schrijver-hoer met zijn woorden, zegt hij zelf: de klant zo gek maken dat hij de prijs vergeet.

Een klant die de prijs vergeet, vergeet dat hij bij een hoer is. Hij verliest zichzelf in het spel, hij geeft zich over aan het kittelen en het strelen en verwordt van klant tot geliefde. Als niet in realiteit dan toch in zijn fantasie. Wie betaalt, betaalt kennelijk ook altijd om te vergeten dat er betaald is. Het vergeten is een onmisbaar onderdeel van de transactie. Maar let op de woorden: ‘Ik heb de macht.’

Nu is de verhouding tussen klant en verkoper, tussen dienaar en heer, tussen cliënt en hoer altijd een machtsspel. Wie kan de ander het meest verachten zonder aan de transactie een eind te maken, wie manipuleert wie het beste? Ware macht zwijgt bij voorkeur en als hij al spreekt dan fluistert hij. Ware macht vermomt zich bij voorkeur als knecht. De verachting is waarschijnlijk de consequentie van wederzijdse afhankelijkheid. Misschien bestaat die afhankelijkheid wel uit de verachting. Men heeft de ander niet nodig om bemind te worden maar om veracht te worden. Multatuli leed aan herhalingsdwang. De oorzaak daarvan lijkt voor een belangrijk gedeelte voort te komen uit een verslaving aan vernedering en verachting. Het is hem niet genoeg dat hem één keer onrecht is aangedaan. Hem moet steeds weer onrecht worden aangedaan, alsof hij daarmee hemzelf en hen die hem hebben mishandeld denkt te straffen. Onrecht is verslavend.

Multatuli is zich bewust van de dubbelzinnigheid van de positie van de schrijver-hoer. Saskia Pieterse verzuimt niet de lezer daarop te wijzen. En dat bewustzijn blijkt niet eens zozeer uit Multatuli’s veelvuldig geciteerde uitroep: ‘Publiek, ik veracht u met grote innigheid’.

Aan Tine schrijft hij in zijn Minnebrieven: ‘Een idee! Ik hoop dat Fancy niet antwoordt. Dan heb ik een ongelukkige liefde, die ik beschryven zal voor wat biefstuk. Heine deed dat ook. Hy leefde een rond jaar van de hartziekte die hem doodde.’

Hier wordt de ongelukkige liefde bijna triomfantelijk afgedwongen. Hier klinkt de uitdagende stem door van de schrijver-hoer, die op zijn minst doet alsof hij niets te verliezen heeft. Alles is te koop. Er is geen vierkante centimeter van het vlees van de schrijver die niet in de etalage ligt of althans gelegd kan worden, mits er vraag naar is. U vraagt, wij snijden. En dan die biefstuk, die relativeert de ongelukkige liefde meteen, maakt haar bijna ironisch, ja zelfs komisch.

Saskia Pieterse wijdt een hoofdstuk van haar dissertatie aan de relatie tussen voedsel en Multatuli. Ze merkt op dat Multatuli een magere man was met een gevoelige maag. W.F. Hermans schrijft in zijn biografie De raadselachtige Multatuli: ‘Bruingebakken gehakt en goed gaar gestoofde osselappen smaakten hem bijzonder goed.’ Ik weet niet of dat op een bijzonder gevoelige maag duidt. Pieterse noteert ook dat de politieke partij die Multatuli wilde oprichten ‘vleesch-party’ moest gaan heten. Met zulke ideeën mag het nauwelijks een wonder heten dat Multatuli als politicus zelden meer dan tien stemmen kreeg. Toch is die ‘vleesch-party’ een aardige illustratie bij de stelling dat Multatuli’s genialiteit het beste aan de oppervlakte komt als hij met dodelijke ernst wanen najaagt.

Pieterse schrijft: ‘Het vlees staat bij Multatuli niet alleen voor het gezonde en sterke, maar heeft een verontrustende keerzijde. Hij laat zien dat de meeste mensen ongevoelig zijn voor allerlei vormen van geweld en uitbuiting, omdat ze er al van jongs af aan zijn blootgesteld, én omdat ze er al van jongs af van profiteren.’

Als Pieterse gelijk heeft dan krijgt de ruil van hartzeer voor biefstuk een dubbelzinnigere lading dan die al had; lijkt het eerst alsof de schrijver-hoer zijn zielenpijn in de uitverkoop gooit in de hoop zijn gezin en zichzelf eten te kunnen geven, met Pieterses opmerking in het achterhoofd concludeert de lezer dat geësthetiseerde pijn geruild wordt voor bloedgeld. Wie heeft hier wie bedrogen?

Elke transactie herbergt het gevaar van bedrog. De verkoper weet iets wat de koper niet weet. De verkoper kan de mankementen en zwakke plekken van het product proberen te verhullen. Ook de klant kan verraad plegen, hij kan het product misbruiken, zeker als het product het lichaam van de verkoper is. De schrijver is nu eenmaal zijn eigen instrument.

Daar komt bij dat Multatuli, zie zijn opmerking over Heines hartziekte, bereid schijnt te zijn iets op te lopen waaraan hij sterven kan. Ook de dood is te koop. Maar als alles te koop is, als niets zich aan de transactie onttrekt, wat is dat kopen dan nog?

Pieterse wijst op Idee 527, waarin Max Havelaar een brief schrijft aan Multatuli. Daarin komt Fancy weer voor. Het is aardig om te weten dat Multatuli zijn vrouw Tine nauwkeurig van zijn omgang met ‘Fancy’ op de hoogte houdt en haar laat weten dat hij heeft verteld dat zijn Tine ‘boven’ de jaloezie is. Dat hij zijn vrouw en kinderen soms geen geld kan sturen omdat hij hulp verleent aan andere armen is volgens de burgerlijke moraal problematisch. En deze wetenschap maakt Multatuli’s voorstel om al dan niet geënsceneerde zielenpijn voor biefstuk te willen ruilen des te wranger.

Havelaar schrijft aan Multatuli dat hij aan het wandelen was met Fancy. ‘En ook ik zag in haar geen persoon van vlees en been, met spieren, pezen en zenuwen... geen aangevuld skelet! Maar ’t duurde niet lang, gy heren met uw schoonheidsgevoel.’ Ze passeren een ‘spekslagerswinkel’ waar twee net geslachte varkens hangen. In Pieterses dissertatie is dit een belangrijke episode. Havelaar ziet hoe het ene varken het andere lijkt te kussen en de kus van het dode varken doet hem denken aan zijn kus aan Fancy. Toen hij Fancy aan zijn hart drukte, ‘toen had ik iets omarmd als ’t arme dier dat daar hing.’

Pieterse meent dat de voorbijgangers die onaangedaan langs de varkens lopen een metafoor zijn voor de lezers van Multatuli die doof zijn voor zijn werk terwijl dat werk ontspruit ‘aan een extreme identificatie met deze varkens’. Wat mij trof was de teleurstelling dat Fancy een meisje van vlees en bloed bleek te zijn, dat de kus van de dode varkens de essentie bleek te zijn van de vleselijke kus die aan Fancy is gegeven. Wat hier wordt beweerd, gaat verder dan ongevoeligheid van voorbijganger en lezer: vrijen is slachten. Iets verderop in deze Idee staat: ‘Kan ’t meisje dat zich verkoopt, u den glimlach geven, dien ze lachte vóór zy wist wat er te verdienen was met zo’n lach?’

Uit de brief aan Tine in Minnebrieven weten we wat de prijs van zo’n glimlach kan zijn: een biefstuk. Misschien ook: een geslacht varken.

Maar uit deze retorische vraag blijkt ook dat de glimlach van iemand die de waarde van zijn glimlach kent, nooit dezelfde zal zijn als de glimlach van iemand die die waarde nog niet kent, die nog niet ‘geslacht’ is. Onnodig op te merken dat de schrijver weet wat de waarde is van zijn glimlach, in die glimlach tenslotte zit de innige minachting voor zijn publiek, voor zijn klanten verborgen.

Pieterses dissertatie is een royale uitnodiging Multatuli’s werk met een frisse blik te gaan lezen. Helaas ontkomt ze niet altijd aan de pretentieuze vaagheid die in sommige wetenschappelijke kringen voor het hoogst haalbare doorgaat. In de aantekeningen bij de Havelaar schrijft Multatuli: ‘De meeste lezers schenen te menen dat ik my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun ’n prettig lektuurtje te verschaffen.’ Van Mallarmé stamt de maxime dat de wereld zal uitmonden in een boek. Hij was vergeten erbij te vertellen dat het wel om een prettig lectuurtje diende te gaan.

Lees de volledige bijdrage op: nrcboeken.nl

Saskia Pieterse: De buik van de lezer. Over spreken en schrijven in Multatuli’s Ideeën. Vantilt, 370 blz. € 22,50