De Pauw

Bij oma is een pauw komen aanlopen. Zomaar. Een grote blauwe vogel met een lange sleepstaart en grote grijze voeten. De veren van de pauw waren helemaal in de war. En hij had enorme honger. Oma gaf hem eten en nu woont hij bij haar in de tuin en hij slaapt op de schuur. Alleen oma’s ganzen en kippen moeten niks van hem hebben.

Rintje en Tobias en Henriette zijn meteen gaan kijken naar de pauw. Trots stapt de grote vogel door de tuin. En opeens, swoesj, daar klapte hij zijn veren staart uit. OOOH zeggen Rintje, Tobias en Henriette in koor. Wat mooi! Een grote waaier van groene veren met een blauwe stip er in en daaromheen zit paars. „Wat bijzonder, het lijken wel ogen”, zucht Henriette. „Ik vind het maar een aansteller”, zegt Tobias, „hij overdrijft wel een beetje met die staart, toch?”

Rintje snapt wel dat de kippen en de ganzen de pauw niet aardig vinden. „Ze zijn natuurlijk gewoon jaloers op die mooie veren!” „Ja, maar hij kijkt ook niet aardig”, vindt Tobias.

Oma vertelt dat de pauw eerst vlakbij woonde maar zijn baasje is verhuisd en toen is de pauw helemaal teruggelopen naar zijn oude plek. Maar daar was niemand meer die hij kende. Toen is hij bij oma in de tuin terecht gekomen. En daar wil hij nu blijven, bij oma. Want die geeft lekkere hapjes zoals rijst en stukjes fruit en kippenvoer (als de kippen het niet zien). En wanneer het regent of sneeuwt, mag hij in de schuur slapen in plaats van er bovenop.

De pauw heeft zijn staart weer ingeklapt en loopt weg. Ineens klinkt er een ijzingwekkend geschreeuw. Rintje, Tobias en Henriette staan stokstijf stil van schrik. Oma lacht. Het was de pauw die zo krijste. „En toch is het een bijzondere vogel”, zegt Henriëtte. „Ja, maar hij kan maar beter zijn snavel houden!” roepen Tobias en Rintje tegelijkertijd.

EINDE