De muzikale helden en boemannen van Edward Said

Edward Said: Music at the Limits. Bloomsbury, 325 blz. € 32,-

Edward Saíd (1935-2003) was literatuurwetenschapper, actief voor de Palestijnse zaak en een groot liefhebber van Europese klassieke muziek. Ogenschijnlijk leken deze activiteiten niets met elkaar te maken te hebben, maar halverwege zijn laatste boek onthult de auteur zijn alles overkoepelende thema. Said wilde grenzen overschrijden en wilde dat ook anderen dat zouden doen.Zijn beroemdste boek, Orientalism , was een doorbraak in de westerse kijk op ‘het oosten’.

In zijn boek over klassieke muziek, een postume bundeling van opstellen uit dertig jaar, bejubelt hij musici die een nieuwe visie op bekend repertoire introduceren en veegt hij de vloer aan met vertolkers die volgens hem op zijn best goed spelen. Beroemdheden als Murray Perahia, Vladimir Ashkenazy en Georg Solti worden neergesabeld.

Als rond 1990 Saids aandacht zich verlegt van instrumentalisten en dirigenten naar de opera, richt hij zijn giftige pijlen op het beleid van met name de New Yorkse Metropolitan Opera, die zowel wat repertoire als regie betreft voor hem een toonbeeld is van behoudzucht. Lovend is hij dan weer over kleine Amerikaanse gezelschappen en De Nederlandse Opera.

Omdat hij niet alle onderwerpen naar zijn hand kan zetten, zijn enkele uitweidingen over vertolkers en composities eerder beschrijvend dan opiniërend. Maar ook dan toont Said zich een briljant stilist die ook bekende informatie boeiend weet te maken. Veel essays lijken te zijn ingegeven door actualiteit en werden geschreven voor geïnteresseerde leken. Nu intrigeren zij om wat ze zeggen over Said.

Saids op één na grootste held is Glenn Gould. Hij was voor Said een toonbeeld van zinvolle en noodzakelijke vernieuwing. Niet alleen uit de behoefte tot provoceren, al wordt ook dit aspect van Gould door Said breed uitgemeten, maar uit de behoefte het repertoire levend te houden door het te verrijken met een nieuwe visie. Said is zeer uitvoerig over Goulds principieel on-theatrale spel en zijn grote fascinatie voor metafysica; dit prikkelde de aandacht van Said, een van nature extravert ingestelde man die grote vraagtekens plaatst bij het fenomeen religie.

De relatie die Said naar aanleiding van Gould legde tussen muziek, mens en wereld is nog duidelijker in het hoofdstuk over Saids grootste held, de joodse pianist Daniel Barenboim, die tevens het voorwoord bij dit boek schreef. Voor Said is hij niet alleen een zeer goede pianist en dirigent, Barenboim is bovenal iemand die in een delicate politieke zaak (de Palestijnse kwestie) het West-Eastern Divan Orchestra oprichtte dat bestaat uit Israeliërs en Palestijnen. En Barenboim beseft dat erkenning van de staat Israël voor Palestijnen net zo noodzakelijk en pijnlijk is als de erkenning van de muzikale grootsheid van Wagner voor Israeliërs. Barenboim doet dit alles niet om te provoceren of in de verwachting daarmee problemen op te lossen, maar in de wetenschap dat begrip pas mogelijk is als alle partijen bereid zijn lang gekoesterde ideeën los te laten.

De lezende leek, die Gould en andere muzikale figuren niet wil verbinden met het Midden-Oosten, leert in dit boek veel over repertoire. Met name Saids beschouwingen over Beethoven en Richard Strauss zijn welkome aanvullingen.