De kus van de geslachte varkens

Een schrijver-hoer die zijn klanten streelt, kittelt en vervolgens uitscheldt – zo zag Multatuli zichzelf graag. Een opmerkelijke dissertatie zoekt het binnenste van zijn schrijverschap.

Saskia Pieterse: De buik van de lezer. Over spreken en schrijven in Multatuli’s Ideeën. Vantilt, 370 blz. € 22,50

Is de schrijver een hoer? Is de lezer de vijand van de schrijver? Is schoonheid de vijand van de literatuur en de lezer, zoals een lekker pasteitje de vijand van de gezondheid kan zijn? Is fictie niets dan een suikerlaagje dat de lezer moet verleiden het bittere kruid onder dat suikerlaagje te slikken? Is voedsel een goede metafoor voor tekst? Eet de lezer de tekst? Eet de lezer misschien ook de schrijver? Is de lezer een kannibaal? Is de verhouding lezer-schrijver sadomasochistisch ?

Dit zijn slechts enkele vragen die Saskia Pieterse stelt in haar dissertatie over Multatuli’s Ideeën, De buik van de lezer.

Pieterse heeft het uiteraard over Multatuli, maar het zijn vragen die iedereen die nadenkt over schrijven en lezen aangaan.

Laten we eerst kijken wat Multatuli zelf met betrekking tot deze vragen heeft beweerd. Al in het begin van haar boek, in een hoofdstuk over de verhouding tussen Multatuli en zijn publiek, drukt Pieterse dit citaat af uit een brief van Multatuli aan zijn uitgever: ‘Zij willen dat ik hoer ben, – ik zàl hoer zijn, een hoer die streelt en kittelt. Maar ik scheld mijn klanten uit! Dat’s wat nieuws in ’t hoerwezen.’

En in zijn Minnebrieven noteert Multatuli: ‘Koop, publiek koop! Gy, die uw profeten laat leven om ze langer te martelen! Men lastert u, door te zeggen, dat gy den Christus zoudt gekruist hebben, als de Joden; gy hadt hem knecht gemaakt in een kruienierswinkel... nietwaar?’

Ook hier komt dat kittelen en strelen weer terug: ‘Ik heb de macht, u te strelen en te kittelen, tot ge zo gek wordt dat gy den prys uwer koffie vergeet, gy, die anders zo hard zyt van huid, dat de zweep er van kermt!’

Als hier een hoer aan het woord is dan toch eentje van wie zich een zekere wanhoop meester heeft gemaakt. Voor de schrijver-hoer zijn zijn woorden zijn lichaam, het vlees is woord geworden, en uit het lichaam van deze schrijver-hoer stijgt het parfum van rancune op. Wat de zweep niet is gelukt, dat kan de schrijver-hoer met zijn woorden, zegt hij zelf: de klant zo gek maken dat hij de prijs vergeet.

De prijs van de koffie, maar daarmee de prijs van alles. En een klant die de prijs vergeet, vergeet dat hij bij een hoer is. Hij verliest zichzelf in het spel, hij geeft zich over aan het kittelen en het strelen en verwordt van klant tot geliefde. Als niet in realiteit dan toch in zijn fantasie.

De schijnbaar ondubbelzinnige mededeling van Multatuli over het aanprijzen van zijn waar door de klant honend toe te spreken, verandert van betekenis.

Wie betaalt, betaalt kennelijk ook altijd om te vergeten dat er betaald is. Het vergeten is een onmisbaar onderdeel van de transactie.

Maar let op de woorden: ‘Ik heb de macht.’

Nu is de verhouding tussen klant en verkoper, tussen dienaar en heer, tussen cliënt en hoer altijd een machtsspel. Wie kan de ander het meest verachten zonder aan de transactie een eind te maken, wie heeft de ander het meeste nodig, wie manipuleert wie het beste?

Ware macht zwijgt bij voorkeur en als hij al spreekt dan fluistert hij. Ware macht zal nooit de aandacht op zichzelf vestigen. Het geluid van de zweep is discreet. Zodra de stem zich verheft, spreekt de onmacht. Zodra de stem roept ‘ik ben de baas’ is onmacht aan het woord. Ware macht vermomt zich bij voorkeur als knecht.

De verachting is waarschijnlijk de consequentie van wederzijdse afhankelijkheid. Misschien bestaat die afhankelijkheid wel uit de verachting. Men heeft de ander niet nodig om bemind te worden, zoals chansons en wat sentimentelere literatuur ons vaak vertellen, maar om veracht te worden.

Dat Multatuli aan herhalingsdwang leidt, zoals W.F. Hermans beweert, mag waar zijn, maar de oorzaak van die herhalingsdwang lijkt voor een belangrijk gedeelte voort te komen uit een verslaving aan vernedering en verachting. Het is hem niet genoeg dat hem één keer onrecht is aangedaan. Hem moet steeds weer onrecht worden aangedaan, alsof hij daarmee hemzelf en hen die hem hebben mishandeld denkt te straffen. Onrecht is verslavend.

Multatuli is zich bewust van de dubbelzinnigheid van de positie van de schrijver-hoer. Saskia Pieterse verzuimt niet de lezer daarop te wijzen. En dat bewustzijn blijkt niet eens zozeer uit Multatuli’s veelvuldig geciteerde uitroep: ‘Publiek, ik veracht u met grote innigheid.’ Hoewel de combinatie van innigheid en verachten al te denken zou moeten geven.

Aan Tine schrijft hij in zijn Minnebrieven: ‘Een idee! Ik hoop dat Fancy niet antwoordt. Dan heb ik een ongelukkige liefde, die ik beschryven zal voor wat biefstuk. Heine deed dat ook. Hy leefde een rond jaar van de hartziekte die hem doodde.’

Hier wordt de ongelukkige liefde bijna triomfantelijk afgedwongen. Het lijkt alsof hij zich wellustig verheugt op de liefde die niet zal worden beantwoord. Alsof hij roept: ‘Kom naderbij en doe mij onrecht aan.’ Hierin klinkt de uitdagende stem door van de schrijver-hoer, die meent, op zijn minst doet alsof hij niets te verliezen heeft. Alles is te koop. Over alles kan onderhandeld worden. Er is geen vierkante centimeter van het vlees van de schrijver die niet in de etalage ligt of althans gelegd kan worden, mits er vraag naar is uiteraard. U vraagt, wij snijden.

Maar dan die biefstuk, die relativeert de ongelukkige liefde meteen, maakt haar bijna ironisch, ja zelfs komisch.

Saskia Pieterse wijdt een hoofdstuk van haar dissertatie aan de relatie tussen voedsel en Multatuli. Ze begint ermee op te merken dat Multatuli een magere man was met een gevoelige maag.

W.F. Hermans schrijft in zijn biografie De raadselachtige Multatuli: ‘Bruingebakken gehakt en goed gaar gestoofde osselappen smaakten hem bijzonder goed.’ Ik weet niet of dat op een bijzonder gevoelige maag duidt.

Vervolgens noteert Pieterse dat de politieke partij die Multatuli wilde oprichten ‘vleesch-party’ moest gaan heten. Inderdaad een opmerkelijke naam voor een politieke partij. Met zulke ideeën mag het nauwelijks een wonder heten dat Multatuli als politicus zelden meer dan tien stemmen heeft gekregen. Toch is die ‘vleesch-party’ een aardige illustratie bij de stelling dat Multatuli’s genialiteit het beste aan de oppervlakte komt als hij met dodelijke ernst wanen najaagt.

Pieterse schrijft: ‘Het vlees staat bij Multatuli niet alleen voor het gezonde en sterke, maar heeft een verontrustende keerzijde. Hij laat zien dat de meeste mensen ongevoelig zijn voor allerlei vormen van geweld en uitbuiting, omdat ze er al van jongs af aan zijn blootgesteld, én omdat ze er al van jongs af van profiteren.’

Als Pieterse gelijk heeft dan krijgt de ruil van hartzeer voor biefstuk een nog dubbelzinnigere lading dan die al had; lijkt het eerst alsof de schrijver-hoer zijn zielenpijn in de uitverkoop gooit, ja zijn uiterste best doet die zielenpijn op te lopen, in de hoop zijn gezin en zichzelf eten te kunnen geven, met Pieterses opmerking in het achterhoofd concludeert de lezer dat geësthetiseerde pijn geruild wordt voor bloedgeld.

Wie heeft hier wie bedrogen?

Elke transactie herbergt het gevaar van bedrog. De verkoper weet iets wat de koper niet weet. De verkoper kan de mankementen en zwakke plekken van het product proberen te verhullen, hij kan er snel overheen praten, hij kan de aandacht van de klant proberen af te leiden. Maar ook de klant kan verraad plegen, hij kan het product misbruiken, zeker als het product het lichaam van de verkoper is. De schrijver is nu eenmaal zijn eigen instrument.

Daar komt bij dat Multatuli, zie zijn opmerking over Heines hartziekte, bereid schijnt te zijn iets op te lopen waaraan hij sterven kan. Ook de dood is te koop. Maar als alles te koop is, als niets zich aan de transactie onttrekt, wat is dat kopen dan nog?

Pieterse wijst in haar hoofdstuk over het voedsel op Idee 527, waarin Max Havelaar een brief schrijft aan Multatuli. Daarin komt eerdergenoemde Fancy weer voor. Of Fancy nu voor de fantasie staat, zoals Hermans beweert, of dat zij de ‘drijvende kracht’ was achter Multatuli’s schrijverschap zoals in de biografie van Dik van der Meulen te lezen is, en in hoeverre Sietske Abrahams al dan niet model heeft gestaan voor Fancy, doet voor de interpretatie nauwelijks ter zake. Wel is het aardig in gedachten te houden dat Multatuli zijn vrouw Tine nauwkeurig van zijn omgang met Sietske op de hoogte houdt en haar en passant heeft laat weten dat hij Sietske heeft verteld dat zijn vrouw ‘boven’ de jaloezie is. Dit is prijzenswaardig. Dat hij zijn vrouw en kinderen soms geen geld kan sturen omdat hij hulp verleent aan andere armen is volgens de burgerlijke moraal problematisch. En deze wetenschap maakt Multatuli’s voorstel om al dan niet geënsceneerde zielenpijn voor biefstuk te willen ruilen des te wranger.

Hermans schrijft: ‘Alleen in kleine kring begon men hem als een soort Jezus-figuur te beschouwen.’ En Karel van het Reve noteert: ‘Hij verzuipt in de schulden, en als hij daar maar even de kans toe krijgt vergroot hij die schulden.’

Dat geld een grote rol speelde in het leven van Multatuli, soms lijkt het of geld de hoofdrol speelde, mag als wij vasthouden aan zijn status van schrijver-hoer nauwelijks verbazing wekken. Geld is wat de hoer tot hoer maakt. De contante betaling maakt haar schuldig en pleit haar vrij, in die zin dat die betaling haar in staat stelt te overleven. Zou zij een jurk en een paar laarzen krijgen, is er van hoererij geen sprake meer. Zoiets komt in de beste huwelijken voor.

Havelaar schrijft aan Multatuli dat hij aan het wandelen was met Fancy. ‘En ook ik zag in haar geen persoon van vlees en been, met spieren, pezen en zenuwen... geen aangevuld skelet! Maar ’t duurde niet lang, gy heren met uw schoonheidsgevoel.’

Ze passeren een ‘spekslagerswinkel’ waar twee net geslachte varkens hangen. In Pieterses dissertatie is dit een belangrijke episode.

Havelaar ziet hoe het ene varken het andere lijkt te kussen en de kus van het dode varken doet hem denken aan zijn kus aan Fancy. Toen hij Fancy aan zijn hart drukte, ‘toen had ik iets omarmd als ’t arme dier dat daar hing.’

Pieterse meent dat de voorbijgangers die onaangedaan aan de varkens voorbij gaan een metafoor zijn voor de lezers van Multatuli die doof zijn voor zijn werk terwijl dat werk ontspruit ‘aan een extreme identificatie met deze varkens’.

Het gaat mij wat ver om deze varkens voor te stellen als het zaadje waaruit Multatuli’s gehele oeuvre ontspruit, maar vooral lijkt Pieterses interpretatie mij de meest voor de hand liggende.

Wat mij trof was de lichte teleurstelling dat Fancy een meisje van vlees en bloed bleek te zijn, dat de kus van de dode varkens de essentie bleek te zijn van de vleselijke kus die aan Fancy is gegeven. Wat hier wordt beweerd, voor wie het lezen wil althans, gaat verder dan ongevoeligheid van voorbijganger en lezer: vrijen is slachten.

Iets verderop in deze Idee staat: ‘Kan ’t meisje dat zich verkoopt, u den glimlach geven, dien ze lachte vóór zy wist wat er te verdienen was met zo’n lach?’

Uit de brief aan Tine in Minnebrieven weten we wat de prijs van zo’n glimlach kan zijn: een biefstuk. Misschien ook: een geslacht varken.

Maar uit deze retorische vraag blijkt ook dat de glimlach van iemand die de waarde van zijn glimlach kent, nooit dezelfde zal zijn als de glimlach van iemand die die waarde nog niet kent, die nog niet ‘geslacht’ is. Onnodig op te merken dat de schrijver weet wat de waarde is van zijn glimlach, in die glimlach tenslotte zit de innige minachting voor zijn publiek, voor zijn klanten verborgen.

Zijn woorden, zijn lichaam dus, zijn van iedereen, zijn publiek bezit. Monogamie is hem uit hoofde van zijn functie vreemd. Om zijn waardigheid te behouden rest hem geen andere keus dan het spel dat de klant met hem speelt ook met de klant te spelen. Om hartziekte te ruilen voor vlees.

Pieterses dissertatie is een royale uitnodiging Multatuli’s werk met een frisse blik te gaan lezen. Helaas ontkomt ze niet altijd aan de pretentieuze vaagheid die in sommige wetenschappelijke kringen voor het hoogst haalbare doorgaat. ‘We kunnen Max Havelaar daarom tegelijkertijd lezen als een verslag van een ontnuchtering, een onderkenning van de noodzaak om stelling te nemen en van de praktijken in de algemeen aanvaarde orde gebruik te maken als we werkelijk iets willen veranderen...’

Het is lovenswaardig dat zij de tweedeling tussen de suikerlaag van fictie, vorm en stijl dus, en de bittere waarheid van inhoud onderuit haalt. Max Havelaar bestaat niet om ons de bittere pil dat de Javaan mishandeld wordt, te doen slikken. Saskia Pieterse noteert: ‘De waarheid van de literatuur is gedoemd ongezien te blijven.’

In de aantekeningen bij de Havelaar schrijft Multatuli: ‘De meeste lezers schenen te menen dat ik my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun ’n prettig lektuurtje te verschaffen.’

Van Mallarmé stamt de maxime dat de wereld zal uitmonden in een boek. Hij was vergeten erbij te vertellen dat het wel om een prettig lectuurtje diende te gaan.

August Hans den Boef en Kees Snoek stelden een bundel samen O God, er is geen God! – Multatuli over geloof en godsdienst.

Voor zover de leek dat kan beoordelen is er weinig op hun keuze aan te merken, bovendien is het boek een nuttige bijdrage aan de nog altijd voortdurende discussie over godsdienst. Al blijkt Multatuli ook in een bloemlezing te kunnen doordraven.

Wel schrok ik van de opmerking van de samenstellers dat als Multatuli nu had geleefd hij ‘een combinatie van Gerrit Komrij, Marjolijn Februari en Pim Fortuyn’ zou zijn geweest.

Dan is de Multatuli van Hermans mij liever. Die noteert in De raadselachtige Multatuli: ‘Kort voor zijn dood nog, zal hij [Multatuli], op zijn mislukte leven terugkijkend, zeggen dat er in de wereld alleen iets verbeterd kan worden door soldaten en geweld.’

August Hans den Boef en Kees Snoek (red.): O God, er is geen God! Multatuli over geloof en godsdienst. Van Gennep, 271 blz. € 22,50.