Darwin contra Flaubert

Is het evolutionair of sociaal bepaald dat mensen van boeken houden? Of heeft de literatuur zelf daar ook iets mee te maken? Over literair darwinisme en het wonder van stijl.

Het darwinisme rukt op. Juist in het Darwin-jaar zouden we daarop moeten letten, te meer daar Darwin en darwinisme niet automatisch samenvallen. Darwinisten als Richard Dawkins, Daniel C. Dennett en Joseph Carroll beroepen zich uiteraard op Darwin en diens evolutieleer, maar hun ambities reiken aanzienlijk verder. Zij pretenderen met ‘Darwins gevaarlijke idee’ (Dennett) te beschikken over een alomvattende verklaring voor het leven op aarde, die niet tot de biologie beperkt hoeft te blijven. Ook de humaniora zullen er ingrijpend door worden beïnvloed, voorspellen deze darwinisten. Marx en Freud kunnen inpakken, Darwin komt eraan.

De literatuurwetenschap en de literatuur hebben daar al enige ervaring mee. Een paar jaar terug verscheen de programmatische bundel Literary Darwinism van Joseph Carroll (Boeken,06.04.07), waarin de darwinistische expansie in de menswetenschappen met groot zelfvertrouwen wordt aangekondigd. In Madame Bovary’s ovaries (2005) lieten vader en dochter Barash zien wat de lezer van Shakespeare, Jane Austen of Gustave Flaubert kan verwachten: een vaak vernuftige analyse van hun toneelstukken respectievelijk romans, waarbij de beweegredenen van de personages onveranderlijk worden herleid tot biologische motieven, in hoofdzaak de zorg voor de vermenigvuldiging van het eigen genetisch materiaal.

In dezelfde trant plachten marxisten alles te verklaren met het klassenbewustzijn en freudianen met het oedipuscomplex. Een zekere voorspelbaarheid zal op den duur niet te vermijden zijn.

Maar bij het literair darwinisme speelt ook nog iets anders mee. Niet alle literatuur leent zich even goed voor een darwinistische behandeling. Eigenlijk zijn alleen realistische, psychologische romans werkelijk geschikt. Door alleen op de plot en de personages te letten, nagelt het literair darwinisme de literatuur opnieuw vast aan het klassieke principe van de imitatie. Imitatie van de (menselijke) natuur en vervolgens herkenning – dat is wat de darwinistische lezer van een roman verwacht. Maar sinds de Romantiek is de literatuur ook heel andere wegen ingeslagen: vorm en stijl zijn in veel gevallen belangrijker geworden dan het herkenbare menselijke verhaal. En wat heeft het literair darwinisme daarover te zeggen?

Vooralsnog weinig of niets, wat niet betekent dat er geen enkele beweging in zit. Zo publiceerde William Flesch de studie Comeuppance (2007), waarin uitdrukkelijk verzet wordt aangetekend tegen de reductie van literatuur tot imitatie en herkenning. Flesch komt met een concrete analyse van taferelen uit Oliver Twist en King Lear, maar de vraag die hem drijft, staat daar los van. Wat hij met behulp van de evolutiepsychologie wil achterhalen, is waarom wij mensen überhaupt zo’n belangstelling hebben voor fictie. Waarom voelen we ons emotioneel betrokken bij verzonnen verhalen over verzonnen personages? Waarom beleven we daar zoveel plezier aan? Boeiende vragen. Helaas stellen de antwoorden teleur.

Want als ik het even heel simpel samenvat, dan zegt Flesch: omdat we van happy endings houden. Onze belangstelling voor fictie relateert hij aan het belang dat coöperatie voor ons heeft. Mensen zijn veel minder zelfzuchtig dan vaak wordt voorgesteld, betoogt Flesch. En de evolutie beloont samenwerking. Maar omdat coöperatie zo belangrijk is, willen we er zeker van zijn dat iedereen meedoet. Daarom houden we elkaar voortdurend in de gaten en willen we weten wat de ander vroeger heeft gedaan, omdat herhaling nooit kan worden uitgesloten. Daar begint onze interesse voor fictie – want dat verleden is niet meer voorhanden, we moeten het zelf verzinnen.

Als iemand weigert mee te werken, bijvoorbeeld door enkel zijn eigenbelang na te jagen, zien we hem graag gestraft worden, bij voorkeur door iemand die daar zelf geen persoonlijk voordeel van heeft. Dat onderstreept de onbaatzuchtigheid van de coöperatie. Welnu, in veel fictie spelen zulke ‘altruïstische straffers’, zoals Flesch ze noemt, een prominente rol, van Odysseus tot Batman. De anticipatie op hun rechtvaardige actie, waarbij de boosdoeners hun ‘verdiende loon’ (comeuppance) krijgen, zou dan de bron zijn van ons plezier in fictie. Zelfs echte boeven willen dat de ‘good guys’ overwinnen, zegt Flesch.

In heel veel gevallen heeft hij ongetwijfeld gelijk. Er schuilt een verborgen hang naar harmonie en verzoening in eenieder, sentimentaliteit en kitsch leven daarvan. Maar de literatuur niet. Is het niet een van de opvallende verschillen tussen kitsch en literatuur dat in literaire werken de ‘goeden’ lang niet altijd winnen? En nog ingewikkelder, is het vaak niet zo dat in de literatuur goed en kwaad amper uit elkaar zijn te houden vanwege de morele ambiguïteit van verhaal en personages?

Kortom, ook Flesch weet niet goed raad met dat wat literatuur nu specifiek tot literatuur maakt. In het nawoord bij zijn boek geeft hij bovendien toe de ‘esthetica van het verhaal’ te hebben verwaarloosd.

Maar dat is volgens hem niet zo’n punt, omdat elk verhaal ons het plezier verschaft van een ‘coöperatie in actie’: de personages werken immers samen om het verhaal mogelijk te maken. Zo blijkt zelfs het werk van Thomas Bernard, Franz Kafka en Maurice Blanchot niet aan de altruïstische fuik te ontsnappen. Maar hoe groot is de verklarende kracht van een theorie die niet weerlegd kan worden?

Over de formele kanten van literatuur heeft intussen ook Flesch niets te melden. Een goede toetssteen lijkt me het werk van Gustave Flaubert – die door Flesch niet eens genoemd wordt. De auteurs van Madame Bovary’s ovaries vatten Flauberts meesterwerk op als een banaal relaas van overspel, met de ‘eierstokken’ van Emma Bovary als doorslaggevende factor. Maar als we naar de schrijver zelf luisteren, dan gaat zijn roman toch in de eerste plaats over stijl. Tussen de literatuur als complexe eenheid van vorm en inhoud, van stijl en thematiek, en de literair darwinistische benadering lijkt zich een vervaarlijke kloof te openen: Flaubert contra Darwin.

Iemand die Flaubert veel meer recht doet dan het literair darwinisme, is de jonge Britse romancier Adam Thirlwell. Vorig jaar publiceerde hij zijn tweede boek, The delighted states. Ook Flesch ging het om delight, het ‘genot’ van fictie dat hij wilde verklaren, maar met zíjn ‘genotvolle staten’ zoekt Thirlwell het in een heel andere richting. De heldin van zijn boek, dat hij aarzelend ook wel een ‘roman’ wil noemen, is Juliet Herbert, de Engelse gouvernante van Flauberts nichtje Caroline. Thirlwell interesseert zich voor haar omdat zij de eerste (helaas verloren gegane) vertaling van Madame Bovary zou hebben gemaakt. Daarmee staat zij symbool voor de universele vertaalbaarheid van romans, ook als de door velen onvertaalbaar geachte stijl hun belangrijkste element is.

Bij Flaubert hoeven we aan dat laatste niet te twijfelen. Madame Bovary gaat niet zozeer over overspel, als wel over clichés en hoe je daar iets mee kunt doen dat zelf niet clichématig is. Ziedaar de stijl, die altijd meer is dan techniek alleen. Thirlwell citeert Proust, door wie de stijl van een schrijver werd omschreven als ‘een visionaire kwaliteit, de openbaring van een particulier universum’. Niet het verhaal, maar stijl, vorm en toon maken een boek tot wat het is. Alle stijlen tezamen vormen de ‘delighted states’ van de literatuur, het enige – internationale, tijdloze – land waar echte schrijvers thuis zijn, aldus Thirlwell. Zijn boek bestaat uit een verkenningstocht langs een aantal usual suspects (naast Flaubert onder meer Joyce, Nabokov, Sterne, Diderot, Tolstoj en Gombrowicz), die geportretteerd worden aan de hand van hun stijl.

Wat zou het literair darwinisme nu aanmoeten met dit boek van Thirlwell? Ik heb geen idee, het is inderdaad een nogal raar boek, meer het product van een dwalende essayist dan van een romancier. Maar serieuzer is dat het literair darwinisme evenmin raad zou weten met de literaire grootheden die Thirlwell al dwalend bezoekt. Dat wil zeggen dat het literair darwinisme geen raad weet met het specifiek ‘literaire’ van de romanliteratuur; het kan alleen iets met het verhaal en de personages, zonder daarbij te kunnen onderscheiden tussen kitsch en literatuur.

Een forse handicap, zou ik zeggen. Maar de literair darwinisten staan in deze niet alleen: talloze lezers hebben geen boodschap aan de ‘literaire’ kant van literatuur, ze lezen romans als informatie of amusement, zonder zich te bekommeren om vormgeving of stijl, laat staan dat ze stijl à la Proust zouden opvatten als datgene wat een roman werkelijk te vertellen heeft. Daarvoor is kennis nodig van de geschiedenis van de moderne literatuur, van de verwevenheid van denken en taal, en van wat stijl méér kan zijn dan schoonheid of versiering. Stijl en literatuur hebben, zoals Thirlwell terecht schrijft, iets met ‘waarheid’ te maken. Maar wie geen idee heeft wat literatuur is of kan zijn, ontgaat dat.

Zodra het hele publiek uit zulke lezers bestaat, is de literatuur ten einde. Ook nu wordt dat einde soms afgekondigd. Wie dat doet vindt de literaire darwinisten aan zijn zijde, zij het onopzettelijk, want de literatuur zelf (en dus ook het eventuele einde ervan) vormt hun blinde vlek.

Dat maakt het bij nader inzien een beetje onzinnig om deze kwestie op te vatten als een titanenstrijd tussen Darwin en Flaubert. Bovendien: hoe zou een darwinistische aanpak iets kunnen verhelderen over het einde van de literatuur, een verschijnsel dat in zijn moderne vorm amper een paar honderd jaar beslaat, terwijl de evolutie uitsluitend rekent in millennia?

Dan kunnen we misschien beter terecht bij een van de oude concurrenten van het darwinisme, bijvoorbeeld bij de sociologie. En wel in het bijzonder bij Hans Abbing, die zojuist een prikkelend boek heeft gepubliceerd (Van hoge naar nieuwe kunst) over een door hem gewenste wisseling van de wacht binnen de kunsten.

Abbing concentreert zich weliswaar op de muziek, maar de tegenstelling tussen klassieke muziek (‘hoge kunst’) en popmuziek (‘nieuwe kunst’) fungeert bij hem als pars pro toto voor de toestand van de hele eigentijdse kunst en literatuur. Abbing constateert dat jongeren geen zin meer hebben om een klassiek concert te bezoeken, vanwege de dwingende formele sfeer die er heerst. De bezoekersaantallen dalen alarmerend. Dat komt, als we Abbing mogen geloven, doordat de samenleving een nieuwe ‘informele’ fase is ingegaan, terwijl de klassieke concertpraktijk, afgeschermd van de tijdgeest door overheidssubsidies, is achtergebleven. De ingehouden deftigheid van de concertzaal hoort bij een voorbij burgerlijk verleden; tegenwoordig wil men zijn betrokkenheid bij de muziek laten blijken door actieve participatie (dansen, meedeinen, terugroepen) en niet door stille concentratie.

Ik houd er evenmin van om uren lang roerloos op een stoel te moeten luisteren, maar toch heb ik het idee dat er ook bij Abbing iets ontbreekt, net als bij de literair darwinisten. Hij beperkt zich tot de receptie of liever de consumptie van kunst. ‘Esthetische waarde’ is altijd ‘sociale waarde’, zegt hij in navolging van de socioloog Pierre Bourdieu. Voor zoiets als Thirlwells tijd- en plaatsloze ‘delighted states’, is bij hem geen ruimte. Het wonder van de kunst verdampt in de sociale context, zoals het bij de literair darwinisten verdwijnt achter de louter psychologische inhoud van de romans en verhalen. In beide gevallen lijkt het mij op z’n minst voorbarig om op grond van zo’n externe analyse iets over de toekomst van kunst of literatuur te beslissen. Zouden we dat niet in de eerste plaats aan de kunst en de literatuur zelf moeten overlaten?

Hoe arbitrair externe analyses kunnen uitpakken, wordt nog eens bevestigd als ik zo vrij ben om Abbings koppeling van jeugd en levensvatbaarheid los te laten op deze drie boeken. Abbing stelt bezorgd vast dat er bij klassieke concerten steeds meer ‘hoofden met grijs haar’ in het publiek verschijnen. Hoe zit het met de hoofden waaruit Comeuppance, The delighted states en Van hoge naar nieuwe kunst zijn voortgekomen? Waar zitten de grijze haren? Ik vrees toch voornamelijk bij Flesch (52) en bij Abbing (63) zelf. Thirlwell daarentegen is pas 31 en toont op de foto een volle donkere kuif. Volgens Abbing zou hij het informele moeten omarmen, maar juist bij hem is het enkel vorm en stijl wat de klok slaat.

Voor zover hier iets uit volgt, is het dat een mechanistische benadering als het darwinisme en een kwantitatieve als de sociologie tekortschieten om alles in de kunst en de literatuur te verklaren. Dat is op zichzelf geen schande, ware het niet dat ze misschien wel het belangrijkste missen.