Zeven oogcontroles voor één pleister

De screeningsketen voor kinderen met luie ogen is niet efficiënt, blijkt uit onderzoek.

Ouders plakken het oog van hun kind niet lang genoeg af.

De intensieve screening op een lui oog bij kleine kinderen is zijn geld waarschijnlijk niet waard. Er is althans geen wetenschappelijk bewijs dat het zo vaak moet. In het eerste levensjaar controleert het consultatiebureau kinderogen nu drie keer en daarna rond de leeftijd van anderhalf, drie, vier en vijf jaar. Het is tijd om te experimenteren met minder oogcontroles, bleek tijdens een wetenschappelijk debat tussen Nederlandse, Duitse en Britse lui-oogdeskundigen, vorige week donderdag in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam.

Een lui oog kan ontstaan als een kind bijvoorbeeld één scheel oog heeft of twee ogen met een sterk verschillende brilsterkte. De hersenen gebruiken dan alleen de informatie uit het oog dat scherp ziet. Het andere oog wordt lui en ziet blijvend minder goed. 3 tot 4 procent van de kinderen heeft een lui oog.

Op jonge leeftijd is een lui oog nog te corrigeren door het goede oog met een pleister af te plakken. Daarom worden vanaf de jaren zeventig de ogen van alle kinderen zeven keer gecontroleerd door consultatiebureau en schoolartsen. De screening moet later leed en gezondheidskosten voorkomen. Uit zowel een Engels als een Duits rapport, beide samenvattingen van vrijwel al het beschikbare onderzoek over luie ogen, blijkt echter dat niet bewezen is dat de screening de investering waard is.

Carolyn Czoski-Murray, onderzoeker van het Britse rapport, zei tijdens het symposium in Rotterdam: „Vanuit gezondheidseconomisch perspectief vormt een lui oog geen groot probleem. Er zijn genoeg mensen met een lui oog die prima functioneren.” Er is bijvoorbeeld geen effect gemeten op schoolprestaties of werk. Wel hebben mensen met een lui oog meer kans om slechtziend te worden, als ze door ouderdom het zicht in hun goede oog verliezen. Uit onderzoek blijkt echter dat mensen met een lui oog zelf vinden dat hun levenskwaliteit minder is.

Kinderen die erg slecht zien, komen ook zonder screening vaak wel bij de oogarts terecht, denkt zowel Czoski-Murray als Fülöp Scheibler, haar Duitse collega-onderzoeker. Dat geldt alleen niet voor kinderen van allochtone ouders. Czoski-Murray: „In Engeland denken we er daarom over om de intensieve screening alleen te richten op kinderen in achterstandswijken.”

Organiserend hoogleraar oogheelkunde Huib Simonsz richt zich vooral op het verbeteren van de therapietrouw. „Die is het allerlaagst in achterstandswijken van de vier grote steden: bijna de helft van de ouders plakt het oog van hun kind veel minder lang af dan goed is. Daardoor blijven veel kinderen ondanks screening en behandeling zitten met een lui oog.”

Volgens Scheibler is daardoor het resultaat van de diagnose, de doorverwijzing naar de oogarts en de behandeling (de hele ‘screeningsketen’) niet effectief, laat staan kosteneffectief.

Simonsz: „De Duitsers hebben wetenschappelijk gezien gelijk, maar hun kritiek frustreert oogartsen en orthoptisten. Die behandelen kinderen met een lui oog en zien die patiëntjes opknappen.”

Ruwweg tweederde van de luie ogen geneest na behandeling. Simonsz: „In de beleving van oogartsen werken de pleisters dus erg goed. Maar naar schatting eenderde van de behandelde ogen zou ook zonder therapie voldoende zijn bijgetrokken.” Precieze getallen ontbreken echter.

Pas als een kind drie is kunnen artsen voor het eerst de gezichtsscherpte van een kind goed meten. Simonsz: „De bulk van de kinderen met een lui oog wordt dan ontdekt. Je kunt je dus afvragen of vaak testen vóór drie jaar zoveel extra oplevert.”

Onderzoekers willen nu proberen hoe halvering van het aantal oogcontroles uiteindelijk uitpakt. Voor de reacties van ouders is Simonsz niet bang: „Een oogonderzoek van een minuut voor elk kind, kost op jaarbasis 400.000 euro. Dat geld kunnen we ook besteden aan een andere aandoening.”