Straks wil niemand nog windmolens enzonnecellen bouwen

Duurzame energie dreigt te duur te worden door de economische crisis.

Dat mag niet gebeuren. De prijs van olie moet omhoog.

Nu de financiële crisis een economische crisis heeft ontketend, moet de overheid de economie stimuleren, bijvoorbeeld met extra investeringen. Er is veel voor te zeggen om dat extra geld zoveel mogelijk te steken in duurzame projecten: energiebesparing en alternatieve energie. Met zo’n Green New Deal pak je twee grote problemen tegelijk aan. Maar volgens het Centraal Planbureau en enkele andere economen moet het draaiende houden van de economie de hoogste prioriteit hebben, en zijn groene investeringen niet de meest doelmatige of snelste manier om dat te bereiken. Echter, een van de belangrijkste stimuleringsprojecten van de jaren dertig was de aanleg van het Amsterdamse Bos, ook een groen project.

Crisisbestrijding mag er niet toe leiden dat het streven naar duurzaamheid wordt opgeschort. Want dat kan ertoe leiden dat dit streven voor langere tijd in het slop raakt. De afgelopen jaren hebben een spectaculaire opkomst laten zien van bedrijven en bedrijvigheid op het gebied van duurzame technologie. Ook Silicon Valley heeft zich op duurzame energie gestort. Maar door de vraaguitval is de olieprijs weer gekelderd, en dat dreigt die duurzame bedrijfstak onderuit te halen. Zo zijn bijvoorbeeld al diverse producenten van zonne-energie in de problemen gekomen. In Nederland heeft het – tot voor kort zeer succesvolle – Solland Solar werktijdverkorting aangevraagd. Er dreigt dus vernietiging van kapitaal dat straks hard nodig is.

Zoiets gebeurde al eens eerder, na de tweede oliecrisis van 1979. Ook toen hadden oplopende energie- en grondstofprijzen een enorme impuls gegeven aan de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen zoals wind- en zonne-energie, en de kranten stonden vol met verhalen over energieneutrale woningen, superefficiënte vervoermiddelen, biogas, windenergie en de kringloopeconomie. Maar toen na 1980 de olieprijs weer kelderde, werden al die duurzame oplossingen veel te duur. Gevolg was zo’n 25 verloren jaren. Pas met het weer oplopen van de energie- en grondstoffenprijzen halverwege het huidige decennium beleefde de duurzame bedrijvigheid een opleving.

Die mag niet weer in de kiem worden gesmoord door tijdelijk lage olieprijzen. Daarom is dit hét moment om een variabele heffing op niet-duurzame energie in te voeren om de energieprijs te stabiliseren. Daarmee blijft investeren in energiebesparing en duurzame energie aantrekkelijk.

Nu is een economische recessie een slecht moment om bedrijven en consumenten met extra lasten op te zadelen; een crisis vraagt eerder om belastingverlaging. Maar een energieheffing kan heel goed lastenneutraal worden doorgevoerd, door tegelijk andere lasten tijdelijk te verlagen. Bijvoorbeeld de premie voor de werkloosheidsverzekering, die anders zou oplopen. Ook kan de investeringsaftrek worden verhoogd. Op die manier gaat het stimuleren van duurzame bedrijvigheid hand in hand met het stimuleren van de werkgelegenheid.

Als de olieprijs weer stijgt, kan de heffing worden verlaagd en kunnen de andere lasten weer worden verhoogd. Dat is dan verantwoord omdat de olieprijs waarschijnlijk stijgt wanneer de economie weer aantrekt.

Nederland heeft beperkte marges voor zo’n heffing. Het beste zou zijn als andere EU-landen meedoen. Een stabiliserende heffing kan helpen de afhankelijkheid van energie uit Rusland en het Midden-Oosten te verminderen. En om het klimaatprobleem aan te pakken.

Ed Lof is econoom en auteur van Groei en bloei, Economie is goed voor het milieu. Wouter van der Weijden is milieukundige bij Centrum voor Landbouw en Milieu.

Lees het stuk ‘Duurzame energie, opeens heeft niemand er meer interesse in’ (nrc.next, 17 februari) via nrcnext.nl/links