Opmars Chinese wapenindustrie

Fortifying China, The struggle to build a modern defense economy, Auteur: Tai Ming Cheung Cornell University Press 28,76 dollar

De Russische defensie-industrie werd na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie geconfronteerd met een straatarme thuismarkt. Gelukkig voor de talrijke Russische vliegtuig-, onderzeeboot- en rakettenbouwers was er een onverzadigbare exportmarkt: China. Dat land was volgens schattingen van het Center for Analysis of Strategies and Technologies (CAST), een Russische denktank, lange tijd goed voor 30 tot 60 procent van de Russische wapenuitvoer, die in 2005 nog 4 miljard dollar bedroeg en 2,5 miljard in 2006. Maar in 2007 was dat bedrag nog maar 1,5 miljard en in 2008 was dat laatste bedrag volgens CAST nog eens gehalveerd. De reden: China koopt geen wapens meer omdat de eigen wapenindustrie ze tegenwoordig zelf bouwt.

Tai Ming Cheung, onderzoeker aan de Universiteit van Californië, schreef met Fortifying China een doortimmerd boek over de hordes die het land heeft moeten nemen om de nationale wapenindustrie in te laten lopen op de Russische, Amerikaanse en Europese tegenhangers. Het land is daarin in marstempo geslaagd. Dat is niet alleen af te lezen aan veranderde geldstromen, maar ook in tastbare producten.

Zo heeft China de Russische jachtbommenwerper Sukhoi Su-27 gekopieerd en deze J-11 uitgerust met elektronica en wapensystemen van eigen ontwerp. Die Su-27 en J-11 kunnen zich meten met moderne westerse jachtbommenwerpers. Rusland diende zelfs een protest in tegen deze ‘piraterij’.

Volgens Cheung, die zijn boek vooral baseerde op Chinese bronnen, maakte de Chinese industriële expertise op defensiegebied een duikeling nadat Deng Xiaoping, architect van de economische hervormingen eind jaren zeventig, de communistische teugels liet vieren. Onder Mao was de defensie-industrie grofweg hetzelfde georganiseerd als die in de Sovjet-Unie en het Westen. Er was sprake van een militair-industrieel complex met eigen laboratoria en eigen technisch personeel die strikt waren gescheiden van de civiele industrie. Toen vanaf de jaren tachtig informatietechnologie voor wapensystemen de belangrijkste innovatie werd, begon de westerse defensie-industrie civiele technologie te lenen. Het onderscheid tussen militair en civiel onderzoek en ontwikkeling vervaagde daardoor, maar het geheel was duidelijk meer dan de som der delen. In China gebeurde er op dat vlak niets, de nationale wapenindustrie, die toch al niet hoog stond aangeschreven, stagneerde, terwijl de civiele industrie zich op de export van goedkope en relatief simpele producten ging richten. Sterker, de fabrieken van de defensie-industrie gingen ook goedkope exportartikelen produceren.

De jaren negentig, zegt Cheung, brachten een ommekeer. De overheid – lees: de communistische partij – legde zich toe op de afbraak van bureaucratische barrières en bevorderde een nationaal innovatiesysteem. Dat systeem omvatte alle instellingen die technologische vernieuwing mogelijk maken, zoals bedrijfslaboratoria, onderzoeksinstituten, technische universiteiten en denktanks.

Het ‘lenen’ van buitenlandse technologische expertise, zoals van Israël en Rusland, hielp daarbij, evenals een machtig spionageapparaat dat dankbaar gebruik maakt van de omvangrijke Chinese gemeenschappen overzee.

Het is nu niet alleen Rusland dat de wenkbrauwen fronst bij de groei van de Chinese wapenindustrie, de Verenigde Staten doen dat intussen ook, vooral sinds een Chinese raket een eigen kunstmaan buiten de dampkring vernietigde. De opperbevelhebber van de Amerikaanse luchtmacht vergeleek die prestatie zelfs met de verrassende lancering van de Spoetnik-kunstmaan door de Sovjet-Unie in 1957.

Bij speelgoed, gereedschap en gebruiksvoorwerpen wordt de kwaliteit van het made in China nog niet al te serieus genomen. Maar Cheung maakt in zijn boek duidelijk dat er weinig reden is om schamper te doen over de kwaliteit van Chinese wapensystemen. Al is China nog ver verwijderd van het niveau van de strijdmacht van de VS, die tijdens Desert Storm, de eerste oorlog tegen Irak in 1990, al een hoger technologisch niveau had dan China nu.