Niet bij nadenken, maar opgaan in het moment

Het is een hedendaagse behoefte om in het nu te willen leven, bij het moment.

In gedichten kun je sensaties rauw en vers laten blijven.

Op een bijeenkomst waar ik was, werd gesproken over aandacht, over alles leven en niet steeds proberen om sommige stukjes zo snel mogelijk achter de rug te hebben, manieren om je aandacht te bepalen bij wat je doet en ziet. We waren het erover eens dat dat inspanning kost, maar de moeite waard is. Het is een sterke hedendaagse behoefte om in het nu te willen leven, bij het moment. Soms vraag je je af wat ermee bedoeld wordt.

Het mooie van opgaan in het moment is dat je er niet bij nadenkt: dan ben je namelijk niet aan het opgaan, maar aan het reflecteren. Maar als je stééds helemaal zou samenvallen met wat je deed, dan wist je ’t niet, en we willen het wel weten. Dus veroordelen we onszelf tot in en uit het moment stappen, tot periodes van concentratie en aandacht, om daarna verrukt te kunnen denken: Wat was ik aandachtig! Wat vloog de tijd! Ik dacht nergens anders aan dan aan dat gesprek, dat werk, dat boek!

In de biografie van Maaike Meijer over de dichteres en psychiater Vasalis (1909-1998) die eind dit jaar verschijnt, citeert Meijer een interview dat nooit heeft plaatsgevonden, tussen Vasalis en de toen toonaangevende criticus Hans Gomperts. Vasalis heeft het zelf geschreven, omdat ze dacht dat het zo zou kunnen gaan en dat het haar een heel goede reden leek om nooit aan zo’n gesprek te beginnen. Een deel van het fictieve interview luidt:

G: Al komt het niet zo duidelijk uit, ik geloof dat je jeugd een grote rol in je werk speelt.

Ik: De enige rol. Jeugd is voor mij het heden. Alles wat ik beleef is jeugd. Als ik niets beleef is het ouderdom. Herinneringen ook, als ze niet kers-vers zijn. Ik geef alleen om kers-vers.

G: Bedoel je, dat je alleen van nieuwe dingen houdt?

Ik: Ik houd helemaal niet van nieuwe dingen. Ik houd van oude dingen, van dingen die ik nieuw zie. Nieuwe dingen zie ik niet gauw, daar ben ik bang voor. Die ken ik niet. Oude dingen ken ik ook niet, als ik ze niet herken. Vroeger gebeurde alles vers, maar langzaam, zodat je eraan wennen kon.

G: ?

Ik: Ik lag op het dak, het rook naar pek, omdat er zon was. Ik trok kiezels uit de pek, met een lange draad, zwart. Ik rook aan de zinken dakrand en aan de schoorstenen. Iedere schoorsteen rook anders. Ik zag op het dak de duinen & de zee, en de straat & de mensen. De duinen lagen stil. Maar vers. Het kanaal stroomde langzaam, de zee flonkerde. Altijd. De mensen gingen voorbij. Ik had er een prettig soort heimwee. Ik wou, dat het altijd zo bleef als het was.

G: Heb je dat gevoel nog?

Ik: Nee. Tenminste niet vaak. Ik heb nu ’t gevoel, dat ik in een wachtkamer zit, mijn mantel maar niet uittrek.

Het is niet niets wat ze er allemaal in zegt, over de tijd en haar ervaring van de wereld. Ze houdt alleen van ‘kersvers’ zegt ze, maar daarmee bedoelt ze niet: alleen maar van nieuwe dingen, maar: alleen maar van alles wat ze kan ervaren als vers, fris, aanwezig. Ze houdt juist van oude dingen, maar ze moet ze ‘herkennen’. Dat herkennen zul je wel heel letterlijk moeten nemen, weer opnieuw kennen. Dat lukt minder goed dan toen ze jong was: „Ik heb nu ’t gevoel dat ik in een wachtkamer zit, mijn mantel maar niet uittrek.” Een uitspraak die alleen maar gedaan kan worden door iemand die merkt dat de helderheid van haar ondervindingen afneemt. En die, dus, verlangt naar de jeugd, niet naar het klein en afhankelijk zijn neem ik aan, maar naar het nieuw-zijn. Dat gaat zo snel voorbij.

Ik was nog helemaal niet oud, misschien twaalf, toen ik op een zomerdag over straat liep en het begon te regenen, en de stoeptegels roken naar warme stoeptegels in de regen en ik dacht: „Ze ruiken zoals stoeptegels in de regen ruiken en ze doen me denken aan hoe eerdere stoeptegels in de regen roken. Ze doen me niet denken aan nú.” Niet zozeer een onmiddellijke werkelijkheidservaring als wel een kersverse melancholische sensatie, want dat je zintuiglijke waarnemingen je niet altijd in het heden plaatsen, dat was ik me nog niet eerder bewust geweest.

Later kom je veel vaker met je jas aan in de wachtkamer te zitten.

Meijer schrijft dat Vasalis’ poëzie voortkomt uit het verlangen naar de openbaring van dat ‘nu-moment’. „Haar poëzie moet die ervaring voltrekken.”

Dat lees je vaak over poëzie, dat er iets in moet gebeuren, iemand tot leven worden gewekt, een wereld worden hersteld, een ervaring present gesteld. Dat ís natuurlijk in zekere zin ook zo, dat is ook de reden waarom kunst een belangrijke rol in ons leven speelt. In een schilderij, een muziekstuk – soms zelfs maar in een paar maten daarvan, zo’n paar maten die je hart hulpeloos doen meebewegen met de muziek – in gedichten als je ze écht leest, daarin ligt een sensatie opgeslagen die je, anders dan in het leven, kunt opzoeken. En in veel gevallen blijft die ervaring als nieuw bewaard – ook al anders dan in het leven.

Rutger Kopland schreef eens, in het gedicht ‘Baai’, over een uitzicht, op een baai, bij zonsondergang, „het zachte schuren/ van de scheepjes aan hun ankers, het langzaam/ zwarter worden en verdwijnen van de baai” – hoe dat geluk was . En dan wordt alles stil, het licht is nog „dat oude lila”, het is het moment „waarin/ de baai daar ligt zoals hij is, voorgoed”. Dan volgt een witregel. De lezer houdt even de adem in en leest dan: „en een verlangen, dat dit moment voorbijgaat”.

Dat is verbluffend, als je dat ineens ziet staan. Het was toch goed, het moest toch juist nooit voorbij gaan? Maar de waarheid is natuurlijk dat het wel voorbij moet, dat het niet alleen niet anders kan, omdat de tijd verstrijkt, maar dat de hele sensatie onbestaanbaar is als alles werkelijk stilgezet zou worden. Dat kun je niet willen.

Toch willen we het steeds weer, Vasalis zegt het ook in haar fictieve interview, dat ze almaar wilde dat alles bleef, dat ze bang is voor wat komt. Voor wat onherkenbaar is, te nieuw om te zien, of te versleten om aanwezig te zijn.

Dat het een bijna onleefbaar verlangen is om alles steeds zo onmiddellijk te willen ervaren, begrijpt ze ook wel, ze spreekt over de geesteszieken met wie ze als psychiater werkt en zegt dat voor hen alles steeds ‘kersvers’ is. Dat is niet benijdenswaardig.

Maar in een gedicht kan het wel. En zo lijkt de poëzie een hulpmiddel om te kunnen leven en dat zegt ze zelf ook: „Dat ik blijf schrijven is een kwestie van lijfs-behoud.”

Aan zulke dingen zou je moeten denken als weer eens gezegd wordt dat kunst een tijdverdrijf voor fijne luiden is. Lijfsbehoud. Dat kan het ook zijn.