In een recessie deel je geen sancties uit

In het stabiliteitspact staan strenge begrotingsregels voor EU-landen. Maar de Europese Commissie lijkt niet van plan in te grijpen bij landen die de regels overtreden.

„Het stabiliteitspact is er tijdens een recessie niet om sancties uit te delen. Niemand praat over sancties. Het pact moet in deze tijden dienen als instrument om landen te helpen om er straks zo goed mogelijk bovenop te komen.”

Een paar jaar geleden hadden weinigen kunnen vermoeden dat een eurocommissaris voor Monetaire Zaken nog eens zó over het Europese Stabiliteits- en Groeipact zou praten. Het pact, waar strenge begrotingsregels instaan die de waarde van de euro stabiel moeten houden, was in de eerste jaren van zijn bestaan sacrosanct. Toch is dit exact wat de Spaanse eurocommissaris Joaquín Almunia gisteren zei, toen hij de jaarlijkse beoordelingen bekendmaakte van de begrotingen van EU-landen. Hij zei dat het pact er niet was als stok om landen mee te slaan. Het pact is dus meer een wortel geworden.

In 2005 werden de strenge regels uit het pact al aangepast, onder intense druk van grote landen als Frankrijk en Duitsland. Het werd ‘flexibeler’. Onder uitzonderlijke omstandigheden – een ramp, een recessie – mogen landen hogere begrotingstekorten hebben dan het pact normaliter toestaat (maximum 3 procent van het bbp), mits die landen kunnen aantonen dat dit tijdelijk is en zij aantonen dat ze alles doen om die tekorten snel weg te werken.

Almunia’s oordeel over de begrotingen gisteren was de eerste test voor dit pact-‘light’. Vandaar dat hij tegen zes landen, wier begrotingen in 2008 en 2009 boven de norm van 3 procent uitschieten, de zogeheten tekortprocedures in gang zet. Daarover wordt pas in april beslist. Maar de sancties waarvan het pact rept aan het eind van de rit (mochten de herstelprogramma’s van die landen bijvoorbeeld niet werken), worden niet toegepast. Vandaar ook dat Nederland, dat níet door dat plafond schiet maar net als veel andere EU-landen wel richting gevarenzone beweegt, het advies kreeg om méér overheidsgeld in stimuleringsprogramma’s te steken. Nederland heeft daaraan procentueel minder uitgegeven dan bijvoorbeeld Duitsland. Den Haag hield overigens rekening met dit advies.

Maar wat zijn dit soort adviezen momenteel waard? Almunia zit in een lastig parket. Aan de ene kant moet hij landen namens de Commissie aansporen om miljarden uit te geven, land voor land maar liefst simultaan, aan economische herstelmaatregelen. Aan de andere kant is hij de hoeder van een pact dat budgettaire prudentie dicteert. Almunia probeert zich uit deze moeilijke positie te redden door – net als zijn collega Neelie Kroes doet met de staatssteunregels – te proberen de regels en procedures van het pact overeind te houden, in de hoop dat hij ze later weer inhoud kan geven.

De vraag is: kan dit?

Over het antwoord is men in de hoofdsteden, en binnen de Commissie, intens verdeeld. Mensen in het ene kamp zeggen: we gaan door de ergste crisis sinds de jaren dertig, het is alle hens aan dek, we kunnen nu niets met het pact. En mocht het straks niet meer werken, dan bedenken we toch een nieuw systeem? Sommigen voegen daar fijntjes aan toe dat de sancties zelfs op hoogtijdagen nooit zouden zijn uitgedeeld – technisch waren ze mogelijk maar politiek niet, zeker niet voor de grote landen. Maar anderen vrezen dat je de geest van het pact, nu die uit de fles is, er niet meer in terugkrijgt. En dat dit grote consequenties kan hebben voor het voortbestaan van de euro. Zo zei een financieel expert tijdens een seminar in Brussel, deze week, dat het pact voor de financiële markten al helemaal „dood” is. Het was op een besloten gelegenheid, dus ’s mans identiteit kan niet worden vermeld. Maar hij verzekerde zijn gehoor dat investeerders óók denken dat het pact dood is en concluderen dat de euro zwakker is dan ze dachten. Hij wees op de turbulentie op de financiële markten in Oost-Europa. Op de problemen die Griekenland – een land met enorme begrotingstekorten – heeft met de stijgende rentetarieven op staatsobligaties. En hij wees op de gevolgen van deze ontwikkelingen: dat de euro langzaam in waarde daalt.

Kritiek op dit soort analyses komt vooral van diplomaten en Europees ambtenaren. Als dit soort onheilsscenario’s elke dag op de voorpagina’s staat, zeggen zij, gaan nerveuze markten er vanzelf naar handelen, gaan landen failliet en valt de euro te pletter. Ook bij de Commissie zeggen velen – Almunia voorop – dat het zo’n vaart niet loopt. Sommigen zien er zelfs een samenzwering in van de Britten, „die altijd tegen de euro zijn geweest”. Voor de goede orde: de spreker voor wie het pact dood is, was geen Brit.

Het heeft iets bizars, zei een Europees functionaris deze week: „Wij debatteren maar over dat pact, en intussen, who cares? De echte wereld is al zes stappen verder. Protectionisme. Plannen voor een Europese reddingsactie van Oost-Europese landen wier munten kelderen. Wat kunnen eurolanden doen als Griekenland zijn rentelaten niet meer kan betalen? Gaat Duitsland de Grieken dan geld geven en aan de monitor leggen, of bedenken we een ander mechanisme?”

Zo verandert de agenda voor de top van EU-regeringsleiders die het Tsjechische voorzitterschap op 1 maart organiseert, continu. Moet daar, zoals aanvankelijk was bedacht, gesproken worden over Europese richtsnoeren over het opkopen van slechte leningen bij de banken? Of over gezamenlijke mechanismen om EU-landen, eurolanden of landen als Oekraïne of Moldavië te helpen, mochten die omvallen (en in dat laatste geval, hoe gaan we dan met de Russen om)? Of wordt protectionisme het dominante thema?

Niemand die het weet. Het roer gaat elke dag driemaal om. Europese politici leven bij de minuut, en slapen al zo weinig dat er van visie, zei één hunner deze week informeel tegen deze krant, „weinig sprake is”.