Het is geen strijd tegen Het Kwaad

Militair specialist David Kilcullen gebruikt zijn antropologische kennis.

„Bijna al het werk in Afghanistan is verzoening.”

Voordat David Kilcullen in de hoogste militaire en politieke kringen van de VS verzeild raakte, was hij antropoloog. Jarenlang (1994-2000) leefde hij in Indonesië met de islamitische opstandelingen die later de terreurgroep Jema’ah Islamiyah vormden. Hij leerde er dat je guerrillastrijders en terroristen bestrijdt door hen te begrijpen. „Het is geen strijd tegen Het Kwaad, zoals de vorige minister van Defensie Rumsfeld altijd zei.”

Kilcullens benadering maakt de laatste jaren school in Washington. In 2007 leerde hij op verzoek van generaal David Petraeus in Irak Amerikaanse troepen hoe ze konden samenwerken met opstandelingen. Daarna werd hij adviseur van minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice. En nu is hij beland bij de invloedrijkste denktank van Washington inzake defensie- en buitenlands beleid, het Center for a New American Security (CNAS). Nagenoeg de complete top is toegetreden tot de regering-Obama.

Kilcullen concentreert zich op Afghanistan. Obama maakte dinsdag bekend dat de VS 17.000 extra militairen naar het land sturen. De nieuwe strategie wordt voorbereid door diplomaat Richard Holbrooke en onderminister van Defensie Michèle Flournoy. Afghanistan is een specialisme van Kilcullen. „Als antropoloog stel ik nooit directe vragen. Ik zeg niet: wie beschermt de openbare orde? Ik vraag: als je fiets is gestolen, wie benader je om hem terug te krijgen? In Afghanistan zegt bijna iedereen: de Talibaan. Als mensen het de politie vragen, worden ze in elkaar geslagen, maar de Talibaan helpen hen. Dus de Talibaan zijn in de praktijk de lokale politie.”

Dat, zegt hij, moet het uitgangspunt van de nieuwe strategie zijn. „Wij jagen de Talibaan al jaren op. Maar de Talibaan bestaan uit drie afzonderlijke groepen. Er zijn de reizende opstandelingen, aan wie wij de meeste tijd besteden. Er zijn de lokale guerrillastrijders. En je hebt de ondergrondsen, die mensen intimideren. Terwijl de westerse troepen de laatste jaren achter de reizende Talibaan aanzaten, slaagde die laatste groep erin de lokale bevolking naar haar hand te zetten.”

Net als de Amerikanen deden onder leiding van Petraeus in Irak, kan de NAVO beter veiligheid bieden door in kleine gemeenschappen samen te werken met lokale guerrillastrijders. Het gevolg is dat de Talibaan dan de NAVO aanvallen, niet andersom, zegt Kilcullen.

Hij erkent dat in de Amerikaanse publieke opinie beduchtheid bestaat voor – zoals dat heet – samenwerking met terroristen. „Een van de grote omwentelingen van de strategie van Petraeus in Irak was dat we opstandelingen niet meer door een morele bril bekijken. Wij zeiden: kijk alleen naar politieke en economische belangen van mensen. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Al-Qaeda is zo gewelddadig dat we daar nooit mee werken. 2 à 3 procent van de Talibaan zijn ook zo. Die mensen moet je willen doden, zodat je met de andere 98 procent kunt samenwerken.”

Voor het merendeel zijn die 98 procent volgens hem tribale strijders die wel met de regering willen samenwerken, maar dat nalaten uit angst voor de gewelddadige 2 procent. „Daarom is bijna al het werk verzoening en ontwikkeling – politiek werk. De kleine rest is terugschieten. Als je niet terugschiet, verlies je alles. Maar het beslissende is uiteindelijk het politieke werk.”

Weinig mensen realiseren zich, zegt hij, dat de kern van Petraeus’ tactiek in Irak werd overgenomen uit Afghanistan. Tot 2006 behoorde Kilcullen tot een kleine groep die tegen de invasie van Irak en de strategie opponeerde. „Toen de strategie in 2006 volledig faalde, zeiden ze: oké, jullie zijn zo slim, neem het maar over.”

„Het toeval wil dat ik in 2006 voor minister Rice in Afghanistan was om te praten met de Nederlandse generaal Ton van Loon en enkele Britse commandanten. Ik bestudeerde delen van het land waar het relatief goed ging, om te bepalen wat werkt. Daarover schreef ik een rapport. Daarna ben ik door Petraeus gevraagd. Hoewel de omstandigheden in Irak anders waren, was de tactiek ervoor mede ontleend aan de werkwijze in Afghanistan. Die tactiek kan deels weer in Afghanistan worden toegepast.”

In 2006 zag hij dat niet alle Nederlandse commandanten toe waren aan terreurbestrijding. „Ze legden uit dat als zij aardig tegen de Afghanen waren, de Afghanen ook aardig voor hen zouden worden – en ophouden de Talibaan te steunen. Zo werkt dat dus niet. Een vijand die intimideert en dwang gebruikt, móét je willen doden.” Het neemt niet weg, zegt Kilcullen, dat in Washington waardering is voor de Nederlandse inzet. „Maar er zijn natuurlijk zorgen dat de Nederlandse troepen uit Afghanistan vertrekken. Mij lijkt dat het voor de Nederlandse bevolking draait om de vraag hoe men de relatie met de mensen in Afghanistan wil voortzetten. Ik denk dat het debat niet alleen over troepen hoeft te gaan. Nederland heeft zoveel te bieden buiten gevechtstroepen: beheerders, politie, docenten, ingenieurs, landbouwdeskundigen. Leer de Afghanen tulpen verbouwen in plaats van heroïne.”

„Ik kan me ook voorstellen dat Nederland de leiding krijgt over alleen het civiele programma in de provincies Uruzgan en Day Kundi, terwijl een ander land de militaire taak op zich neemt. Dan kan Nederland voortbouwen op zijn relaties en gaat de kennis die is opgedaan niet verloren.” Een volledig vertrek zou slecht vallen, denkt Kilcullen. „De NAVO overleeft niet als de alliantie faalt in Afghanistan. En het is ook van belang dat we geen twee NAVO’s krijgen: de lidstaten die troepen leveren en degene die dat nalaten. Afghanistan is een gezamenlijk probleem, dat we gezamenlijk moeten aanpakken.”