En champagne voor de agenten

L’Ennemi public n°1. Deel II.

Regie: Jean-François Richet. Met: Vincent Cassel, Mathieu Amalric en Ludivine Sagnier.

Waar waren we ook alweer? In het eerste deel van L’Ennemi public n°1 hebben we de legendarische Franse gangster Jacques Mesrine (Vincent Cassel) van een jonge soldaat in Parijs die na zijn terugkeer uit de koloniale oorlog in Algerije zijn draai niet kan vinden, zien uitgroeien tot staatsvijand nummer één van Frankrijk. Hij laat daarbij een spoor van bruut geweld, ontvoeringen en spectaculaire ontsnappingen achter.

Veel te weinig mensen zijn naar die film gaan kijken, waardoor het uitstekende eerste deel van dit Franse gangsterepos (goed voor elf nominaties voor de César, de Franse Oscar) alweer uit de Nederlandse bioscopen is verdwenen op het moment dat deel twee uitkomt.

Dat tweede deel verschijnt daarom nog maar in de helft van de bioscopen die deel één hebben vertoond.

In dit tweede deel moet Mesrines meest spectaculaire ontsnapping nog komen: uit een maximaal beveiligde instelling voor uitzonderlijk gevaarlijk boeven. In dit deel zien we ook pas hoe de gangster aan zijn reputatie als meester van de vermomming kwam. Hij heeft daarnaast een passie voor koken opgevat en is stevig aangekomen.

In het eerste deel heulde Mesrine nog zijdelings met de extreemrechtse krachten die in Frankrijk actief waren in de nasleep van het verlies van Algerije.

In de jaren zeventig poseert hij, geheel conform de tijdgeest, als linkse revolutionair en rebel. Hij wrijft de autoriteiten onder de neus: „Wat willen jullie? Een Baader-Meinhofgroep in Frankrijk?” Geestig is ook hoe hij de politie bij een inval wil laten doen geloven dat hij een Duitse terrorist is, die op het punt staat het hele gebouw op te blazen.

Deze tweede episode van L’Ennemi public n°1 heeft wel het een en ander weg van het recente RAF-spektakel Der Baader Meinhof Komplex. Zoals een door Mesrine ontvoerde miljonair uitlegt: „Wat is het verschil tussen een revolutionair en een gangster? Een revolutionair ontvoert me, vraagt geen losgeld, maar laat me dood achter in een kofferbak. Een gangster ontvoert me, vraagt losgeld, maar laat me wel vrij.”

Regisseur Jean-François Richet waakte er in het eerste deel nog voor om Mesrine al te zeer op te hemelen, door hem een aantal ronduit gestoorde en racistische karaktertrekken mee te geven.

In het tweede deel is hij veeleer een goedgebekte, vrolijke schelm. Zijn levenslust staat in schril contrast met de uitgebluste, grijze autoriteiten. Slechts in één scène toont Mesrine zijn andere, minder aangename gezicht, wanneer hij een journalist die iets lelijks over hem heeft geschreven, te grazen neemt. Wie kan werkelijk een afkeer hebben van een gangster die de politie ontvangt met champagne wanneer hij tegen de lamp loopt?

Voor zover de film iets afdoet aan zijn mythische status, gebeurt dat door Mesrine af te schilderen als een ijdele schertsfiguur, een opgeblazen kikker. Dat levert grappige scènes op. Hij is woest als de staatsgreep van Pinochet in Chili meer aandacht op de voorpagina krijgt dan zijn eigen arrestatie.

Maar de balans in het eerste deel was beter. Dat is hoe dan ook de betere film van de twee. De wording van de legende is interessanter dan het consolideren en uitbouwen ervan waarmee de gangster zich in dit tweede deel voornamelijk bezighoudt.

Van het stijlgevoel van de vroege jaren zestig zijn we bovendien terechtgekomen in de lelijke jaren zeventig: veel gezichtsbeharing, veel dikke buiken. Deel twee van L’Ennemi public n°1 lijkt soms wel één lange achtervolgingsscène, het eerste deel was veelzijdiger. Maar uiterst onderhoudende gangsterfilms zijn het allebei.

Peter de Bruijn