Chinezen beschouwen mensensmokkelaars als helden

De illegale migratie van Chinezen is een bloeiende bedrijfstak, bleek gisteren op een congres in Amsterdam. Ja, mensen worden uitgebuit – maar in China was het niet beter.

Chinezen zijn de minst toegankelijke minderheid van Nederland. Het Chinese restaurant is vanouds de enige plaats waar autochtone Nederlanders hen tegenkomen. Dat is ook de plek waar de zichtbare, legale meerderheid van Nederlandse Chinezen onder één dak leeft met een nagenoeg onzichtbare, illegale minderheid. Die laatste groeit door een bloeiende mensensmokkel van China naar Europa.

Illegale migratie was één van de thema’s tijdens een seminar over Chinese criminaliteit dat het Centrum voor Informatie en Onderzoek naar georganiseerde misdaad (CIROC) gisteren organiseerde in Amsterdam. Sinologen, criminologen en opsporingsambtenaren wisselden informatie uit en presenteerden nieuw onderzoek.

Het aantal Chinezen in Nederland is de afgelopen jaren flink gegroeid. Die groei zit vooral in andere regio’s van herkomst dan Hongkong, waar vroeger de meeste Nederlandse Chinezen vandaan kwamen. Er zijn nu zo’n 70.000 legale immigranten die zelf – of wier ouders – in China zijn geboren. Meer dan de helft woont in de Randstad, met grote concentraties in Rotterdam en Amsterdam. Met de Chinezen uit Suriname, Indonesië en Singapore komt de groep legalen op 90.000. Het aantal illegalen schatten de inleiders gisteren op ten minste 10.000.

Waarom zijn er overal Chinezen? De Nederlandse sinoloog en antropoloog Frank Pieke, directeur van het Institute for Chinese Studies van de universiteit van Oxford, bestudeert de Chinese emigratie. Die begon in de zestiende eeuw, toen de keizers van het huis Ming particuliere handel met het buitenland verboden, waarop ondernemende bewoners van de zuidkust uitzwermden over de Chinese Zee en handelskolonies (‘Chinatowns’) stichtten buiten het bereik van de keizer. „Sinds het midden van de negentiende eeuw”, zei Pieke, „is de Chinese emigratie een bijproduct van de Europese expansie. Chinese arbeiders werkten op plantages in Latijns-Amerika, legden spoorlijnen aan in de Verenigde Staten, ontgonnen Siberië en legden de buitengewesten van Nederlands-Indië open.”

‘Overzeese Chinezen’ komen vanouds uit een paar provincies in het zuidoosten van China: Canton (Guangdong), Fujian en Zhejiang. Na de machtsovername van Mao in 1949 droogde de emigratiestroom op. Emigreren werd pas weer mogelijk in de jaren zeventig. Toen werd oude netwerken nieuw leven ingeblazen. Sindsdien vinden we overal in de wereld mensen uit Fujian. Maar er ontstonden ook nieuwe migratiestromen, uit andere provincies.

Sinds de jaren tachtig is in China een nieuwe bedrijfstak opgekomen: het visumagentschap. Dat helpt bij het aanvragen van visa voor studie, werk, toerisme en zaken. Pieke: „Hun adviezen bewegen zich in de grijze zone tussen legaal en illegaal. Zo raden ze mensen aan om als toerist stempels van vreemde landen te verzamelen en dan een zakenvisum aan te vragen. Daarmee, zeggen ze, kom je de EU binnen en na verloop van de visumduur duik je onder.”

Naast de agentschappen zijn er de ‘slangenkoppen’, ondernemers die illegale mensentransporten organiseren. Pieke: „Volgens de Chinese wet is emigreren zonder papieren verboden. De centrale regering probeert er iets aan te doen, maar wordt gedwarsboomd door lokale overheden die er zelf belang bij hebben. Emigratie levert hun streek een instroom van deviezen op en soms zijn ze aandeelhouder in visumagentschappen. De bevolking beschouwt visumbemiddelaars en mensensmokkelaars als dienstverleners.”

Het verband tussen illegaliteit en uitbuiting – de andere kant van de medaille – werd besproken door Dirk Korf, hoogleraar criminologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij greep het seminar aan om een nieuw boek te presenteren: Slangenkoppen en tijgerjagers, een verkenning van de Chinese gemeenschap in Nederland, die Korf uitvoerde samen met onderzoeker Jaap Knotter en Hiu Ying Lau, een ‘restaurantdochter’ en sinologe.

Illegalen komen doorgaans naar Nederland via een ‘slangenkop’. De tocht kan erbarmelijk zijn: ondervoeding, seksueel misbruik. Toch denken de klanten: deze man brengt ons naar een wereld waar een nieuwe toekomst ligt. Hij is een held, geen crimineel.

Er is een levendige handel in reisdocumenten, officiële (gekochte en geleende) en vervalste. Korf: „Daarmee kun je je in Schengenlanden makkelijk verplaatsen, want Chinezen weten uit ervaring: niet-Chinezen zien toch het verschil niet. Als je gepakt wordt, zit je een tijdje vast. Je wordt niet teruggestuurd naar China, want als je geen papieren hebt, werken ambassades en consulaten niet mee. En je kunt heel lang onzichtbaar blijven in het illegale circuit. Je verhuist gewoon van stad naar stad, van het ene restaurant naar het andere.”

Voor een legale Chinese ondernemer zijn illegale werknemers aantrekkelijk. Kinderen van restauranthouders gaan immers naar de universiteit, maken carrière en willen niet meer meehelpen in de zaak. ‘De Chinees’ heeft in vijftig jaar de reputatie opgebouwd dat je er lekker eet voor weinig geld. Dus moet de restauranthouder besparen op personeel. En als de familie minder meedoet, zijn illegalen een goed alternatief.

De illegale Chinees weet dat hij onderbetaald wordt, want legale collega’s verdienen meer voor hetzelfde werk. En er zijn veel verplichtingen, tegenover de slangenkop, die moet worden afbetaald, en tegenover de werkgever. Korf: „Toch wordt die laatste meestal niet als uitbuiter gezien. Hij zorgt immers ook voor onderdak. En als hij een restaurant heeft, krijg je gratis eten. In China was het zeker niet beter. Van die 400 euro, vrij van kost en inwoning, kun je nog geld naar de familie sturen. En steeds is er die droom: ooit een eigen zaak.”