Rijnlands model. En dan?

Stress en verdringing zijn de natuurlijke partners van een crisis. Toen na de beurscrisis van 1929 de aandelen al met bijna de helft onderuit waren gegaan, meldde de Harvard Economic Society dat „de economie in beginsel gezond was en een ernstige depressie buiten het bereik van de waarschijnlijkheid”. In de illustere economenclub hield deze geesteshouding stand. Totdat de Society zélf op de fles ging.

Misschien dat stress en verdringing maken dat er zo weinig geloofwaardige of attractieve opvattingen bestaan over de samenleving na de crisis. Natuurlijk, iedereen grijpt op dit moment naar de recepten van Keynes, maar het enthousiasme is beperkt. Keynes is instrument, geen ideologie. Een debat over wat hierna komt, ontbreekt.

Waar moet je kijken om toch wat signalen op te pikken?

In Amerika ligt de fixatie op banken en hypotheken, niet op vragen over een herinrichting van de samenleving. De president en zijn nerveuze minister van Financiën jongleren met miljarden dollars, gokken toch vooral dat het allemaal tijdelijk is. Ze beginnen er niet over dat de meeste mensen hun verwachtingen, hun levensstijl, hun pensioenleven en wat al niet ingrijpend zullen moeten bijstellen.

Groot-Brittannië biedt ook weinig inkijkjes in een nieuwe toekomst. De sociaal-democratie ginds heeft al lang geleden de grens tussen pragmatisme en opportunisme overschreden. In de wedloop om New York zijn toppositie als financieel centrum van de wereld afhandig te maken, gooide de Britse regering al jaren geleden de remmen los. Nog vorige zomer bezwoer de minister van Financiën de bancaire gemeenschap aldaar dat het jaarlijkse bonussenfestival juist in Londen door niemand een strobreed in de weg zou worden gelegd: „Een zaak van besturen en aandeelhouders, niet van toezichthouders en regeringen.” Applaus. Dat dezelfde minister nu zegt dat „onze regering de ontstane bonuscultuur niet tolereert” – ach, noem het pragmatisme, maar geen inkijkje in toekomstige maatschappelijke arrangementen.

Op het Europese vasteland zijn de Angelsaksische mores van marktfundamentalisme en aandeelhouders-weten-het-beter pas later doorgedrongen. (Alleen in Nederland waait wat meer westenwind.) De daarbij passende kijk op de samenleving overheerste dan ook nog niet zo toen de zaak anderhalf jaar geleden begon te schuiven. Bondskanselier Merkel propageert nu in elk geval een alternatief voor de toekomst: de aloude, in Duitsland vertrouwde sociale markteconomie, ook wel bekend geworden als Rijnlands model.

De sociale markteconomie is een naoorlogse Duitse vinding. Het kapitalisme kreeg erin de ruimte, niet als ideologie maar als middel om welvaart te creëren. En het werd ingekaderd door allerlei vormen van medezeggenschap, overleg en afspraken om extremiteiten te voorkomen. Er is evenwicht tussen arbeid en kapitaal, tussen aandeelhouders, werknemers en consumenten. Vakbonden deden mee en sociale stabiliteit was een groot goed – begrijpelijk voor een getraumatiseerd land dat besloten had voortaan heel zuinig te zijn op de democratie en de boel bij elkaar te houden.

Sociale markteconomie is een aantrekkelijk uitgangspunt. Maar het probleem is dat het in de huidige vorm hopeloos verouderd is. Het gaat uit van een maatschappij met grote industrieën, waar de stakeholders in gezamenlijkheid beslissen. Met bijvoorbeeld raden van commissarissen waar werknemers en werkgevers evenveel te zeggen hebben.

Maar in zo’n tijdperk van arbeidersklasse en grootkapitaal leven we niet meer. We leven in een tijd van beweeglijkheid, kleine bedrijfjes, outsourcing, dienstverlening en over de hele wereld uitzwermende productiefaciliteiten. Daar heb je weinig aan de checks and balances van de oude bolwerken van Arbeid en Kapitaal. Rijnlands model? De gedachte erachter is goed, maar telkens als Merkel erover begint, dringt zich de vraag op: hoe dan?

Valt er in Frankrijk iets te leren?

Je zou denken dat de Franse filosofen elkaar verdringen bij deze kluif, maar het valt nogal tegen. In het laatste nummer van Philosophie staat voorop weliswaar een strijdbare vuist afgedrukt met de titel: 'Hoe kun je anti-kapitalist zijn?'

Maar de antwoorden in het artikel zijn mager. De meeslepende socioloog Immanuel Todd ziet het einde van de democratie op ons afkomen, onze celebrity-filosoof BHL is vooral met andere dingen bezig: Israël, Georgië en de fenomenologie van het fenomeen Sarkozy. Veel ophef is er over Pierre Caye, wiens stelling luidt dat de samenleving een chaos is geworden en dat er maar één tegenkracht is, namelijk stoïcijns weigeren om mee te doen. Het recept is misschien wel prikkelend, maar onbeweeglijkheid oogt toch vooral als een recept voor intern gebruik om druktemaker Sarkozy een toontje lager te laten zingen – niet als een denkoefening voor de hele westerse samenleving na-de-crisis.

Met andere woorden, het Franse filosofengilde maakt zijn gebruikelijke ruzies, doet zijn danspassen, maar geeft in de kredietcrisis voornamelijk niet thuis. En de president zelf is vooral druk om het volk een beetje koest te houden, want massaontslagen en bedrijfssluitingen zijn de klassieke dingen waarmee een Franse president de macht over het stuur verliest.

Kortom, wie zijn gedachten wil scherpen over de kant waarheen het gaat, vindt nog maar weinig om de tanden in te zetten. Dus blijven we een beetje hangen bij voorspellingen van meer toezicht, meer transparantie – antwoorden op de problemen van gisteren, vaak met aandoenlijke pathetiek gebracht overigens.

Is het gek? Nee, zo is het eigenlijk altijd gegaan. Mensen willen een ordelijk leven en het gemak ervan willen ze niet in de war laten brengen. De grootste bedreiging voor het kapitalisme, zo eindigde Galbraith zijn meeslepende studie over The Great Crash een kleine halve eeuw geleden al, is „dat mensen die weten dat dingen helemaal misgaan, zeggen dat dingen fundamenteel in orde zijn”.

Reageren kan op nrc.nl/knapen (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.)