Nationale emoties hinderen snelle overlevering

Samenwerking op het gebied van justitie tussen Europese lidstaten. Dat is de bedoeling. In de praktijk bestaat echter nog veel onduidelijkheid. Het Hof in Luxemburg moet beslissen.

Wie in Europa pleit voor betere samenwerking tussen de nationale justitiële autoriteiten krijgt gemakkelijk de handen op elkaar. Maar als de daad bij het woord moet worden gevoegd, duiken allerlei nationale gevoeligheden en complicaties op.

Zo ook in de zaak-Wolzenburg, waarover het Hof van Justitie van de Europese Unie zich gisteren tijdens een hoorzitting boog. In deze zaak draait het om de speelruimte voor de rechters in de 27 EU-landen bij de beoordeling van een Europees aanhoudingsbevel.

Dominic Wolzenburg is van Duitse komaf. Sinds medio 2005 woont en werkt hij in Nederland. In juli 2006 vroeg justitie in Aken (Duitsland) om zijn aanhouding, omdat hij in Duitsland nog een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden moest uitzitten wegens smokkel van 298 gram hasj van Nederland naar Duitsland.

Een paar weken later, in augustus 2006, werd Wolzenburg in Nederland aangehouden. Hij zit niet meer vast, maar het gevecht over zijn status duurt onverminderd voort. Wolzenburg moet de cel in, maar waar? Duitsland eist hem op, maar hij verkiest een Nederlandse gevangenis.

Als Wolzenburg een Nederlander was geweest, zou er geen probleem zijn. Nederland levert, net als de andere EU-landen trouwens, eigen onderdanen in beginsel niet uit. Nederland zou dan het Duits verzoek om overlevering (zie inzet) afwijzen. Wel zou Wolzenburg dan de in Duitsland opgelegde celstraf, overeenkomstig de spelregels die horen bij het Europees aanhoudingsbevel, in Nederland moeten uitzitten.

Maar Wolzenburg is geen Nederlander. Hij staat hier als een tamelijk goed ingeburgerde ‘vreemdeling’ te boek. En de kernvraag is dan ook of Nederland zijn overlevering aan Duitsland nu ook kan of mag weigeren?

Het antwoord van het Hof op deze kwestie reikt veel verder dan het individuele geval van Dominic Wolzenburg. Want principieel is de vraag aan de orde of EU-landen bij de overlevering van gezochte personen onderscheid mogen maken tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere EU-landen. Of is het ‘Unieburgerschap’ inmiddels zo verankerd, dat een dergelijke vorm van discriminatie anno 2009 uit den boze is?

Nederland pleitte er gisteren in Luxemburg voor om dat onderscheid te mogen blijven maken. Pas wanneer sprake is van „duurzaam verblijf” van een EU-burger in Nederland, kan bij overleveringszaken zoals die van Wolzenburg een gelijke behandeling met Nederlandse onderdanen worden overwogen, betoogde de Nederlandse gemachtigde C. Wissels.

Maar wat is duurzaam verblijf? Betrokkenen zijn volgens Wissels bijzonder vindingrijk in het aanvoeren van oneigenlijke argumenten voor hun binding met de Nederlandse samenleving. Daarom stelde zij als „duidelijk en vooraf kenbaar criterium” een minimale verblijfsduur van vijf jaar voor. Het Duitse verzoek om Wolzenburgs overlevering zou dan niet geweigerd mogen worden.

De Europese Commissie gooide het over een totaal andere boeg. Uitgangspunt moet volgens de Commissie zijn op welke plek de sociale reïntegratie van de betreffende EU-burger het beste tot haar recht komt. De nationale instanties kunnen dat het beste beoordelen. De verblijfsduur speelt daarbij een rol, maar is zeker niet het enige criterium waarnaar gekeken moet worden. In enkel en alleen een vaste minimumduur, zoals Nederland bepleitte, ziet de Commissie niets, zei gemachtigde R. Trooster.

Het pleidooi van de Europese Commissie sloot naadloos aan bij dat van D. Wiersum, die optrad namens Wolzenburg. Hij wees erop dat zijn cliënt meer dan drieënhalf jaar in Nederland woont en werkt, in Nederland nagenoeg volledig is ingeburgerd – met huwelijk, sofinummer en al – en dat zijn resocialisatie (na de celstraf) in Nederland het meest kansrijk is.

Als Wolzenburg desondanks aan Duitsland zou worden overgeleverd, dan is er volgens Wiersum sprake van ongelijke behandeling op grond van zijn nationaliteit. Dat levert naar Europees recht „verboden discriminatie” op, aldus Wiersum.

Advocaat-generaal Y. Bot brengt 24 maart zijn advies uit aan het Hof. Naar verwachting zal dit nog voor de zomer duidelijkheid geven aan de rechterlijke autoriteiten in heel Europa. Wolzenburg merkt dat via de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank in Amsterdam.